is toegevoegd aan uw favorieten.

Afscheidswoord tot de gemeente van Leiden, 26 April 1908

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Votum, Zegen, Zingen Ps. 118: 14. Voorgebed.

Zoo is dan de ure gekomen, Geliefden, lang genoeg vooruit gezien, maar waartegen ik, naar mate ze nader kwam, te meer begon op te zien, dat ik, in onze tegenwoordige betrekking tot elkander, mijn laatste woord

tot u te spreken heb.

Ik koos daartoe deze morgenbeurt, mij welwillend door mijn waarden collega Vethake afgestaan, omdat, waar ons samenzijn minder het officieele karakter draagt, voor mij de kans ook minder zou zijn op buitengewone opwekking van gevoelsaandoening, die mij ontraden is; en omdat ik mij voorstelde, niet de bij dergelijke gelegenheid over talrijke schare, grootendeels door nieuwsgierigheid gedreven, maar het mij bekende gehoor, dat gewoon was, mijne prediking belangstellend te volgen, zestien jaren lang. Intusschen, met het oog op deze gevulde Hooglandsche Kerk, zie ik, dat mijne berekening gefaald heeft, en onder den indruk dezer laatste ure, gewijzigd in mijn beoordeeling, denk ik bij deze uwe talrijke opkomst, nu liefst, aan, en ben ik dankbaar, voor zoo beschamende belangstelling.

Waar zijn die zestien jaren gebleven, wat korte spanne tijds schijnt het mij toe, nu ze voorbij zijn gegaan.

Evenwel Geliefden, datzelfde zouden we zeggen, al was de tijd van ons zamenzijn, met nog eenige jaren verlengd geweest, ieder moet het zeggen aan het eind van zijn aardsche leven, ook al bereikt het de uiterste grens.

We vliegen daarheen! ja, maar toch nog op andere wijze, dan waarop een damp voor onze oogen zich oplost, of het dorrend loover wordt weggevoerd op dén adem der winden.

Daar is een antwoord op de vraag: waarheen? daar is een doel, zoowel voor het geheel, als voor de enkelen en daar ligt een sterke vertroosting, bij de gedurige ervaring dat al het zichtbare zich vleugelen maakt en wij ons bewegen te midden van de bewegelijke dingen, in de zekerheid dat de altoos wijze raad des Heeren, houdt