Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoogtepunten, waarop hij er meer bijzonder toe gedrongen wordt zich rekenschap van zijn verleden en zijn toekomst te geven.

Met name voor mij, is het heden van bijzondere beteekenis ; immers in mijn leven sluit zich een tijdperk af van veertig jaren, in den dienst van het heilig en heerlijk Evangelie doorleefd.

En ik mag het woord van ootmoedigen dank niet terughouden, te dezer ure en te dezer plaatse, die mijn hart vervult, al zou ik ook liever over mij zei ven en het mijne het stilzwijgen bewaren.

Dank aan den God mijns levens en mijner weldadigheden, die, sedert ik door mijn onvergetelijken vader in mijne eerste gemeente mocht ingeleid worden met het woord: „Gij dan, mijn zoon, wordt gesterkt in de genade, die in Christus Jezus is," al die veertig jaren Zijne genade boven bidden en denken aan mij verheerlijkt heeft, in mijn persoonlijk, huiselijk en ambtelijk leven.

Hem de dank, dat Hij in verschillende gemeenten de harten tot mij geneigd heeft, van velen, aan wie zich mijn hart nog verbonden gevoelt, al zijn ook de meesten er van reeds ontslapen.

Weest mij allen in den geest gegroet, mijne oude vrienden, wier namen mij te binnen komen, ieder op zijn beurt weer tal van herinneringen wakker roepende, aan Amerongen, IJsselmonde, Amersfoort, Barneveld, Leeuwarden en Zutphen.

Hem ook de dank, gemeente van Leiden, dat ik niet weinigen, ook onder u, tot mijne en der mijnen blijvende vrienden mag tellen.

Het is mij behoefte het hier openlijk uit te spreken, hoe het mij dezer dagen op een wijze die mij klein maakt, gebleken is, dat ik in de gemeente van Leiden meer vrienden heb dan ik mij wel bewust was.

Voor mij althans is die lange reeks van namen welsprekend, in het sierlijk album ingeschreven, dat mij eergisteren, door eene commissie uit uw midden, werd aangeboden, ter begeleiding van een mij en de mijnen zeer verrassend en verblijdend gemeentelijk aandenken.

Neemt er allen te zamen onzen diep gevoelden dank voor aan, dien het onmogelijk is u ieder persoonlijk te brengen; en houdt u overtuigd, dat, al hebt gij ook in dezen lijnrecht tegen een voorlang door mij uitgedrukt verlangen in gehandeld, gij, in ieder geval mij het afscheid van Leiden niet gemakkelijker, maar de herinnering aan Leiden des te liefelijker gemaakt hebt.

Het was op den eersten van Bloeimaand van het jaar 1892, dat ik mij aan u verbond met het apostolisch woord Rom. 10:8: „Dit is het woord des geloofs, hetwelk wij prediken."

Ook mij was het woord des geloofs wat het Paulus was, de

Sluiten