Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verkondiging van den Heer Jezus Christus als den eenigen en volkomen Zaligmaker, die, alleen door het geloof, in Zijn algenoegzaamheid kan gekend en gewaardeerd worden.

We hebben, naar de begeerte van ons hart en de bescheidene mate onzer gave, u Christus gepredikt, u allen, voorzoover ge onder het bereik onzer prediking kwaamt, in de bewustheid, dat wij allen Hem noodig hebben.

Wij hebben getracht, u wegwijzer ten Hemel te zijn, door u te wijzen op Hem, die zelf de Weg is; op Hem, ten opzichte van Wien onze persoonlijke verhouding beslist, of we al of niet wandelen op den weg naar den Hemel.

We hebben u Christus alleen gepredikt in de bewustheid, dat de zaligheid in geen anderen is. Wij hebben de waarheid verkondigd, door u te wijzen op Hem, die de waarheid is, in Wiens gemeenschap alleen daar vrijmaking is van den leugen der zonde.

Wij hebben u Christus geheel gepredikt, in de bewustheid dat Hij een volkomen Zaligmaker is.

Niet waar, één van beiden, Hij is dit, of Hij is het niet. Is Hij het niet, welnu, dan hebbe onze prediking geen reden, geen recht van bestaan; maar kunt gij het niet ontkennen, dat Hij het wel is, dan zal onze prediking tegen ons getuigen, zoo gij niet alles in Hem vindt, wat u ter zaligheid noodig is. Maar ook, verstaat het wel, zal onze prediking tegen u getuigen, bijaldien gij dat alles niet bij Hem zoekt, die het leven is, buiten Wien er voor ons, en in ons, en aan ons, niets dan de dood is.

Wat mijzelven betreft, aan het eind van het tijdperk, dat in mijn leven staat afgesloten te worden, ik sta beschaamd, in het gevoel van onwaardigheid, tegenover God en menschen, en wat, met het oog op wat achter mij ligt en mij omringt, mij verootmoedigende, wat mij, zeg ik, steunt en draagt, het is de zekerheid, dat de verheerlijkte Christus niettemin de steeds nabijzijnde Heiland is, en dat Zijn bloed reinigt van alle zonden, ambtszonden niet uitgezonderd.

Zingen Gez. 54 : 5.

Heeft de Heere Jezus Christus op aarde volbracht, Geliefden, al wat daar bij God te doen was, om de zonden des volks te verzoenen; in den Hemel volbrengt Hij al wat daar bij het volk te doen is, om de met het amen des Vaders bezegelde verzoening voortdurend geldend en vruchtbaar te maken.

Om het (met andere woorden) te toonen, dat zijn afscheid alle gedachte aan afscheiding uitsluit.

Wel is en blijft daar een onderscheid bestaan tusschen den ver-

Sluiten