Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heerlijkten Heiland en de Zijnen, zooals dit ook uitgesproken ligt in het woord des Verrezenen tot Maria Magdalena: „Ik vare op tot Mijnen Vader en uwen Vader, tot Mijnen God en uwen God."

Wij hebben het steeds in gedachte te houden, dat Hij is en blijft de mensch geworden Zoon van God, en dat, zoo daar een zondig menschenkind van zijn God en van zijn Vader leert spreken, het enkel en alleen is uit kracht van het geheiligd recht, dat hij daartoe ontleent aan den Heer der heerlijkheid, die, als Man van smarten, op deze aarde geleefd heeft, en die, voor al wie door het geloof met Hem in levensverband staan, het recht verworven heeft, om zich geloovig Zijn Koninklijk woord toe te eigenen: „Al het Mijne is het uwe!"

Zoo moet ook Zijne heerlijkheid die der zijnen worden, maar nog zijn ze, op aarde zijnde, niet verheerlijkt, nog zijn de leden des lichaams op aarde van het verheerlijkt Hoofd in den Hemel gescheiden , maar, verstaan wij het wel, niet afgescheiden. Hij is toch heengegaan om juist alzoo met hen te blijven, om Zijn belofte op het heerlijkst te vervullen: „Ziet, Ik ben met u al de dagen."

En nu vereenigt zich de gemeente des Heeren in de vreugdevolle belijdenis, dat naar Zijn menschelijke natuur, haar Hoofd en Heer niet meer op aarde is; maar als vrucht der geestelijke levenservaring er aan toevoegende: „doch naar Zijn Godheid, majesteit, genade en Geest, wijkt Hij nimmermeer van ons."

Heengegaan zijnde, blijft Hij alzoo tegenwoordig, zelfs in hoogeren zin dan te voren, waar juist door Zijn heengaan, Zijne tegenwoordigheid ontdaan is van alle beperkende grenzen.

Wat echter de discipelen der eerste, wat de discipelen van alle eeuwen hebben moeten leeren door het heengaan huns Heilands, doordat Hij lichamelijk van hen gescheiden is, is dit: dat al Zijne beloften, ook die van persoonlijke, blijvende gemeenschap en nabijheid, voorwerp zijn des geloofs; dat het Koninkrijk Gods niet van deze wereld is, dat het geestelijk van aard is, en het bezit en het genot Zijner heilgoederen zich niet verdraagt met wat openbaring

van vleesch en bloed is.

Het is alleen door het geloof, dat we ons kunnen vasthouden als den Onzienlijke ziende, dat we kunnen leven en ons te huis voelen in de wereld der onzichtbare dingen. Zoo verstaan we dan, dat eerst nu het geloof waarlijk grond heeft, en de liefde, drang, en de hoop, steun, waar het eenig waardige voorwerp des geloofs en der liefde en der hoop, is verheven boven alle schepsel, boven al het zichtbare, in de hoogste heerlijkheid, zoodat hij zich aan allen, van alle tijden en plaatsen, openbaren kan, naar ieders eigenaardigen toestand en

Sluiten