Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

willen wij dan ook ten slotte, Geliefden, in deze afscheidsure onszelven en elkander heenwijzen naar dien grooten en doorluchtigen Dag des Heeren, die het alles vervullen en verklaren zal.

Dan vervuld alle beloften, alle behoeften, alle verwachtingen — ook de verwachting, in vaste beloften gegrond, en op onze innigste behoeften berekend, van den nieuwen hemel, en de nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont.

Dan de wegen en werken Gods zoo belicht, dat de uitkomst, ook van de donkerste wegen, enkel Hem verheerlijkend licht blijkt, en de werken Zijner handen, Zijn grooten nooit volprezen naam, prijzen eeuwiglijk.

En nu, gemeente van Leiden, mijn arbeid, ook in uw midden, is geëindigd, ik zeg niet „voleindigd", want ik weet, dat daar, gelijk aan mij, zoo ook aan het mijne, niets geheel is.

Niet alleen, al wat onwaar, schijn, vorm is, maar al wat uit ons is, moet wegvlieden, als zich de Heer in Zijne heerlijkheid openbaart, de hoogheid des menschen zal vernederd worden, de Heer alleen zal in dien dag verheven zijn, elkeen der afgoden zal vergaan!

Alleen Gods werk blijft. Hebbe Hij dan de eer, zoo Zijn Woord, schoon door een zwak en ontrouw getuige gebracht, in den loop van het straks voltallige veertigtal jaren, dat achter mij ligt, mocht gebleken zijn, niet ledig te zijn weergekeerd, maar hier of daar, waarschuwend, vertroostend, opbouwend gewerkt te hebben, ook in uw midden, al was het dan maar voor een enkele uwer.

Staat onze tegenwoordige betrekking tot elkander verbroken te worden, ik zal evenwel, met de mijnen, betrekking op u blijven gevoelen. Ook waar we u verlaten, wenschen we u niet te vergeten; blijft ook gij onzer in liefde gedachtig.

Dank voor de bewijzen van genegenheid en welwillendheid van tijd tot tijd van verschillende zijden ontvangen. Zij blijven mij en mijn huis in liefelijke herinnering.

Ik betuig er mijn leedwezen over, dat ik, vooral in de laatste maanden, u niet zoo menigmaal in uwe woning bezocht heb als ik wel wenschte; dat ik ook mijn ziekenbezoeken zeer heb moeten beperken, omdat mij inkrimping van arbeid door mijn geneesheer was aanbevolen. Vandaar dat ik ook mijne begeerte om een afscheidsbezoek te brengen, ten opzichte van niet weinigen, niet heb kunnen vervullen.

Daarom omvat ik u te dezer ure, allen in den geest, en druk u de hand ten afscheid, en in dien handdruk spreekt zich de wensch mijns harten voor u uit, dat de Heere God u moge zegenen met de keur Zijner zegeningen in Christus, en u behoeden voor alle kwaad, dat uwer ziele zaligheid schadelijk zou kunnen zijn!

Sluiten