Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I.

In de allereerste plaats wensch ik uwe aandacht te vestigen op het groote voorrecht, dat naar mijne overtuiging de geloovigen reeds deelachtig zijn, dat ze reeds in de dagen van Johannes deelachtig waren. Zij zijn in Christus; o welk een heil! Van nature niet; dan liggen wij onder vloek en toorn in ons Verbondshoofd Adam. Dan moeten wij erkennen met den apostel Paulus: wij derven allen de heerlijkheid Gods. Niemand is rechtvaardig, en vandaar: uit en van zichzelf is niemand meer in Christus. Zij hebben zich allen van de hand Gods teruggetrokken.

Zij zouden nooit in Christus gekomen zijn in eigen kracht. Gij leest het in de Heilige Schrift, het is niet mijn woord of dat van Johannes: God heeft van den hemel neergezien of er iemand ware die God zocht. En Hij heeft er niet één gevonden. Neen, allen zijn zij afgeweken en liggen van nature verdoemelijk voor God. Niemand heeft medelijden met zichzelf, ze liggen allen vertreden in hun bloed; zij zouden ook uit zichzelf nooit tot Hem gekomen zijn: de bron en fontein is Gods vrijmachtige, souvereine liefde. Er staat ergens deze heerlijke, goddelijke waarheid uitgedrukt: Ik heb u liefgehad met eene eeuwige liefde, daarom heb Ik u getrokken met koorden van goedertierenheid.

Het is dus van den Vader uitgegaan; door Hem zijn ze in Christus gekomen, zooals Johannes in het derde hoofdstuk van dezen Zendbrief ons ook doet hooren: Ziet, hoe groote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk, dat wij kinderen Gods genoemd zouden worden.

Om in Christus te komen, daartoe heeft Hij zelf den weg gebaand door zijn lijden en gehoorzaamheid, waardoor Hij aan het recht des Vaders heeft voldaan, en Zijne deugden heeft verheerlijkt.

Sluiten