Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gebleven; had hij gezondigd; was Gods toorn over hem ontstoken geworden, en had God hem getroffen met het vonnis: ge zult niet ingaan in het land der belofte. Verscheurd van smart, zielediep gewond heeft Mozes zijn klacht uitgestort voor 's Heeren aangezicht, zijn schuld beleden, om genade geroepen, ach, of de Heere den wensch zijns harten vervullen mocht!

„Maar" zoo gaat hij in ons tekstwoord voort: „de Heere zeide tot mij: Het zij u genoeg; spreek niet meer tot Mij van deze zaak".

Ik wil u spreken van

Gods wondervollen Raad met Mozes in de afwijzing van zijn bede.

En we zien:

I. Mozes vóór God.

II. Mozes onder God.

III. Mozes bij God.

I. Mozes vóór God.

Zie dan eerst:

A. Wie hier bidt.

God gaf aan den mensch de wonderschoone gave van het spreken, maar door de zonde is ook dit goed aangetast. De tong is geworden tot een zwaard der ongerechtigheid. Met de tong wordt God gevloekt en gelasterd. Het spreken der menschen is omgezet in een wapen tegen God en den naaste in lastering en onteering. Door de genade nu wordt ook dit terrein weder vernieuwd en geheiligd. Diep treffend komt dit uit in wat de Schrift heet bidden. Daarin is de mensch weer waar voor zijn God geworden. Want bidden het is God erkennen en aanroepen als God; het is de belijdenis voor Hem van onze afhankelijkheid; het is de uitspraak onzer schuldigheid. Het is de wedergeboorte toegepast op de menschelijke taal, een heiligmaking des harten en der lippen. De kreet van het benauwd gemoed tot God. De smeeking der bedroefde en beproefde ziel. Het is de ademtocht des Christens. Het is het lied van den pelgrim naar Sion boven. Het is het middel ter inname van

Sluiten