Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3°. Is dit woord naar Gods goedertierenheid?

En we antwoorden: 't is een woord van een heilig rechter, van een wijs God, en van een genadig Vader. En ziet ge dat in, dan voortgescheden van vóór God tot onder uw God. Vooreerst dan een woord van een heilig Rechter.

We gaan in den geest enkele maanden terug. Het volk is gelegerd te Kades. Wederom ontbreekt water. Geen water in een woestijn, met een gansch leger, met vrouwen en kinderen; brandende dorst doet wel haast schroeien tong en mond en keel, doet branden welhaast het oproerig gemoed des volks. In volslagen opstand tegen God staat straks de gansche vergadering; lasterlijke woorden, stoute taal des verwijts tegen den Heere spreken menschelijke lippen. Mozes en Aaron vluchten weg tot het aangezicht van Jehovah. Zal de aarde zoo aanstonds scheuren, en het volk levend ter helle varen? Ot zal de Almachtige de bliksemen verzamelen in Zijn vuist en op één oogenblik Israëls naam van onder den hemel uitdelgen? Maar God is vol genade. Ga heen, zoo klinkt Zijn bevel, en spreek tot de steenrots, en er zal water uitvlieten. Ge weet het, niet spreken maar slaan doet Mozes tegen het keigesteente. Doch niet daarin slechts; doch niet daarin als zoodanig ligt nog de diepte van zijn zonde. Maar hoort wat woord hij spreekt, en dit zal ons licht spreiden over den aard van Mozes' zonde te Kades. Hij zegt: Hoort toch gij wederspannigen, zullen wij water voor ulieden uit deze steenrots voortbrengen? Dat was de taal der twijfeling des ongeloofs. Mozes dacht dat het volk het nu al te schrikkelijk had gemaakt, dan dat God nog genadig zou kunnen zijn; nu had het volk het zoo verzondigd, dat het verbond Gods er niet tegen zou bestand zijn, en hij Gods woord in twijfel trekt. Dat was Mozes' zonde aldaar. Zijn wantrouwen feitelijk van God in Zijn verbond.'Ongeloof ten opzichte van Gods almachtige trouw. Maar dan zal noch Mozes, noch Aaron binnengaan in Kanaan, en zullen ze gestraft worden met Israëls vorige geslacht, dat ook vanwege den twijfel des ongeloofs niet is kunnen ingaan. Maar zij zijn kinderen Gods? Wel zeker, maar daarom te meer het vonnis rechtvaardig. Want God wil van niemand in twijfel worden getrokken, maar het allerminst van Zijn volk. Dat kan Hij niet hebben, dat Zijn volk, hetwelk Hij zoo opzocht en onderpanden gaf van Zijn trouw, dat dat volk aan Zijn belofte en haar vervulling zou wanhopen. Dat niet te bezoeken, zou juist eene

Sluiten