Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dal der tranen geleid, om van daar de heuvelen der vreugde te zien verrijzen. Naar de diepte van wondere leidingen in schijnbare teleurstelling, om u op te voeren naar de bergtoppen der blijdschappen in God. Van „deze" zaak niet meer, Mozes, maar van welke dan? Zie, driemaal zal het antwoord zijn, in klimmender, in verhevener, in zaliger woord.

Vooreerst: Mozes mag Pisga beklimmen.

Ingaan in het land is verboden. Maar nu laat God hem zien van Pisga's hoogte dat goede land, zooals het daar als in een schoon panorama zich voor zijn oog ontrolt. Nu mag hij het zien, niet van nabij, maar van verre. Niet van nabij in zijn afgodendienst der heidenen, ook niet in zijn jammer waarin Israël door eigen zonde het straks brengen zou; nu mag hij het zien, niet van stuk tot stuk in al zijne bezwaren van het veroveren, in al de moeilijkheden der inname. Maar nu mag hij het zien in zijn geheel, in den totaalindruk als een goed land van bergen en stroomen, van tuinen en waterbeken, van lachende velden, bloeiende steden en dorpen, van weelde en genieting. Die aanblik is aangrijpender dan gelijk Jozua het zal zien straks als de grond is gedrenkt van het bloed der gevallene helden, als de sterke vestingpoorten het volk doen vreezen, en deszelfs inwoners hen met ontzetting zal vervullen. Zooals Mozes het daar van Pisga ziet, zag hij het daar niet liefelijker, dan dat hij het b. v. zou hebben gezien wanneer straks het volk was overgegaan, maar door eigen zonde den nek moest buigen onder den voet der heidenen?

O, welk een leed is dien Mozes waarlijk gespaard geworden, dat hij het zóó niet ziet. Want daar ware zijn ziel onder gebroken. Meer nog. Als dan Mozes het land zoo beziet in zijn totaal schoonheid, dan ligt daar in dat land een idee uitgedrukt, het lag daar als een beeld, een afschaduwing van het hemelsche Kanaan, dan ligt het daar van de hoogte aanschouwd als een type van die vreugde en dien vrede, welke in het tegenbeeldige Kanaan en in de nieuwe schepping zal heerschen. En dan gaat juist op Pisga Mozes' ziel zelf nog van iets anders spreken. Dan komt op Pisga's hoogte, waar God zijn Mozessen van verre het goede land doet aanschouwen, dat zoo zalige heimwee-verlangen aan het woord naar het eigenlijke vaderland.

Ja, als God ons op de Pisga's brengt, dan wordt het daar reeds als ware het enkel slechts vanwege het heimwee naar den hemel, dat God er in het harte legt: „Heere, ik dank U, dat Gij toornig op mij geweest zijt."

Sluiten