Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van deze zaak mag Mozes niet meer spreken, maar dan gaat God van een andere spreken: En Ik leiae u tot Nebo.

Op Pisga het verlangen. Op Nebo het ingaan zelf.

Over deze Jordaan mag hij niet gaan. Maar wordt hem op Nebo gegund die andere Jordaan over te trekken, verzoend met Gods recht; is hem de dood niet meer de koning der verschrikking of een betaling voor de zonde, maar een overgang tot het eeuwige leven. Dit Kanaan mocht hij niet beërven, maar dan mag hij over de Jordaan des doods geleid, ingaan in dat zooveel betere, dat Boven ligt. Het aardsche Kanaan, en de tastelijke bergen verliest zijn brekend oog straks uit het gezicht, maar om met het oog der ziel te aanschouwen het nieuwe Jeruzalem; daar vindt hij zijn broeder Aaron weder, dat is reeds meer dan hetgeen hij kan vinden hier beneden op Libanons toppen. Deze bedeeling en deze wereld, deze heuvelen en deze menschen ze ontzinken aan zijn half gebluscht gezicht in het sterven op Nebo, maar hij sterft daar in de armen van dienzelfden Vader, die hem genadig was, barmhartig en lankmoedig. Ziet, naarmate deze zienlijke en tastbare dingen dan wegvluchten bij de afreize naar Boven, worden al meer en meer zichtbaar de geestelijke goederen voor het oog der ziel. Naarmate de grenslijnen van dit Kanaan flauwer worden, komen die van het hemelsche meer nabij. Dezen Libanon en dezen Sion zal hij niet drukken, maar dan zal hij staan op den berg Sion in de hemelen, en de geur van den hemelschen Libanon (blijdschappen in God en Christus) zal zijn ziel vervullen met aandoeningen van zaligheid. Nu geldt het ook van hem, als zijn stem straks niet meer gehoord wordt, en hij niet meer spreekt woorden van wenschen dezer aarde, dat hij gekomen is, niet tot den tastelijken berg .. . maar tot den berg Sion en de stad des levenden Gods, tot het hemelsche Jeruzalem, en de vele duizenden der Engelen.

En stel, dat daar een der engelen hem had gevraagd: „Mozes, zoudt ge nu nóg wenschen de Jordaan te zijn overgetrokken;" ik denk, dat hij dan op zijn beurt zou hebben geantwoord: „Spreek gij mij nu van deze zaak niet meer." En zoo zal God dit woord leggen op de lippen al Zijner kinderen. Dit goed is u nog weggelegd, het is nog toekomstig. Maar vertrouw gerust op uw God, en in het vertrouwen, dat het zal welgemaakt worden, ligt reeds de voorsmaak er van, en de profetie, het onderpand en het zegel tevens.

Van „deze" zaak, Mozes, moogt ge niet meer spreken;

Sluiten