Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vreugde uit in het loflied der dankzegging. Dit maakt het verschil uit tusechen de dienaren van de wereld en de dienaren van God en Christus : als zij gaan sterven, dan is de uitkomst hunner wandeling zoo gansch verschillend.

De dienaren van de wereld hebben geenen grond onder de voeten in het leven ; evenmin in de ure van het sterven. De wereld, die hun hart had, laat hen los. Ach ! al hunne hope spat als een zeepbel uiteen. „Verloren!" dat is de ontzettende kreet, die daar uit hunne ziele oprijst.

Vandaar, dat eene onbekeerde ziel den dood vreest; dien zoover mogelijk van zich af stelt; liefst daaraan niet denkt. Want het is den mensch gezet, eenmaal te sterven, en daarna het oordeel. En dat oordeel ziet hij vol siddering te gemoet. De onbekeerde weet maar al te goed, een dienaar van de zonde in zijn leven geweest te zijn en de vergelding voor dien dienst niet te zullen ontgaan. Die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien ; de toorn Gods blijft op hem.

Ontzachelijke gewaarwording in de ure van sterven : „onze lampen gaan uit", en eeuwige duisternis is ons deel! Hoe somber, hoe smartvol is zulk sterven, en hoe wordt de rouw der achterblijvenden, die God kennen, daardoor verzwaard !

Doch daar, waar in Jezus Christus geloofd is, als in den eenigen Borg en Redder van de zielen, is het sterven geheel anders. Moge de aardsche levenslamp al uitgaan, het licht, door het Licht der wereld, Jezus Christus, in het hart ontstoken, gaat nimmer uit. Dienaars van hunnen Heiland hier op aarde, levende in gemeenschap met Hem, worden dan dienaars van hunnen Heer in de hemelsche heerlijkheid.

Was dat ook niet de hope van uwen leeraar, gemeente ? O zeker, Uw leeraar was een zondaar, een mensch van gelijke beweging als wij, doch hij stelde al zijn vertrouwen op het verzoenend bloed van zijnen Verlosser. Hij was een dienaar van Christus onder ulieden, maar één, die, zich bewust van zijne eigene zwakheid en zijne vele tekortkomingen, zijne bekwaamheid zocht in God.

Wat zijnen onvergetelijken vader kenmerkte, bezat ook hij : nederigheid. Hij dacht zoo gering over zichzelven. Met vele gaven toegerust, liet hij er zich nooit op voorstaan; veeleer het tegenovergestelde. En dit kwam ook uit in zijne prediking. De eere Gods stond bij hem op den voorgrond. „Jezus Christus en Die gekruist" was de grondslag, waarop hij bouwde. De werking des Heiligen Geestes in gemeenteleven en prediking werd op het innigst door hem begeerd.

Sluiten