Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kamer, en in 't midden van den helderen glans stond de goedige fee met vriendelijk, zacht gelaat. „Ik weet, wat Uw Kareltje scheelt", sprak ze, „en ik zal hem gezond maken. Geef mij hem mee, en over een jaar, precies op dit uur, breng ik hem terug, gezond en sterk". De koning en de Koningin hadden vertrouwen in de lichtende verschijning, en hoe noode ze Kareltje ook misten, ze stonden hem voor een jaar af.

De fee zweefde nu met hem over breede wateren, dichte bosschen en hooge bergen en daalde neer in een zonnig dal, in de eenvoudige, maar zindelijke, lichte en vriendelijke woning van een boschwachter.

't Was reeds avond, en Kareltje werd dus ter ruste gelegd. Maar o, wat viel hem dat tegen, hoe hard was die stroozak en dat kussen! Hij keerde zich om en om en kon maar niet slapen. Eerst tegen den morgen viel hij in een lichte sluimering, waaruit hij echter weldra gewekt werd door helle stemmen. Het waren de kinderen van den boschwachter, die blij ontwaakten en zongen en sprongen en riepen, niet vermoedende, dat ze de nachrust van een koningskind stoorden.

Karei keek eens rond : helderwitte muren, houten vloer, houten zolder, hoe eenvoudig, hoe armoedig, meende hij. Wel rook het er frisch, wel zag er alles uiterst zindelijk uit: geen stofje, geen smetje, waar ook, maar toch behaagde 't hem niet. Hij kleedde zich vlug en vroeg om chocolade en taartjes en likeuren en nog veel meer lekkers.

„Kom maar eens hier, mijn ventje, hier is lekkere gortepap met suiker en nog een flinke boterham van roggebrood met ham. Dat 's betere kost!" Zoo sprak de boschwachtersvrouw. Ons lekkerbekje proefde eens, hapte eens, maar smaken deed het hem niet: zoo jlouw, zoo har dl" 't Frissche water uit de bron beviel hem beter, en overheerlijk vond hij het spelen met de kinderen vóór 't huisje en tegen de hellingen op en af, en door het bosch en over sloot en greppel. En toen hij 's middags thuis kwam, toen had hij voor 't eerst van zijn leven „honger". Lekker vond hij nu de melkpap met de stukken roggebrood, en wat hapte hij in de bruine boonen met spek!

Kareltje voelde zich van dag tot dag frisscher en sterker. Hij wandelde in de omstreken en door de bosschen, speelde en stoeide, en weldra waren des boschwachters kinderen zijn

Sluiten