Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

levenslot torste. Wel vermenigvuldigde het zich nog sterk, maar levenskrachtige kinderen bracht het niet meer voort.

Toen kwamen over dat eenmaal zoo gelukkige volk droeve tijden, en zwaie plagen teisterden het: kwaadaardige koortsen grepen het verzwakte nageslacht aan en sleepten duizenden en tienduizenden ten grave. Pest en cholera woedden allom, zoodat de lijken onbegraven langs den openbaren weg lagen en een verpestende stank de lucht vervulde.

Tot wanhoop vervoerd, wendde zich het volk tot de wijze priesters, die de geheimen der natuur kenden en de heilzame kruiden ter genezing, maar hun mond bleef stom : geen menschelijke wetenschap vermocht iets tot redding uit dezen uitersten nood. Het weegeklaag des volks vermengde zich met het smeekgebed der priesters, en de goden in hun hoogen hemel voelden medelijden met den jammer der menschenkinderen.

Hygiéa, de strenge, maar schoone en aanminnige dochter van den alwijzen Asclepios, getooid in het lelieblanke kleed met de bloeiende, onverwelkbare rozen, wierp zich neer voor haar vader en sprak: „Aanschouw de ellende van uw volk, o Vader, en vergun mij tot hen neer te dalen en hen te redden." Maar Asclepios antwoordde: „Hoe wilt gij, Hygiéa, de geneugten des hemels derven en uw smetteloos kleed bezoedelen met de onreinheden van dit verdierlijkte volk! Laat het omkomen en uitsterven tengevolge van eigen schuld, en ik zal een nieuw en krachtig volk zijn plaats doen innemen". Hygiéa echter wierp uit haar oogen, flonkerend als het sterrelicht, een blik vol teederheid in de ziel haars vaders en herhaalde met meer aandrang: „Laat mij gaan, o Vader, ben ik niet de godendochter, die waken moet voor de gezondheid der menschenkinderen, en mag ik de hemelsche vreugde genieten, terwijl duizenden van Uw volk in ellende vergaan?" En Asclepios liet zich verbidden en sprak: „Ga dan, mijn dochter, en red het ongelukkige volk!"

Gevolgd door een ganschen stoet van hemelingen, allen in het lelieblanke kleed en met bloeiende, onverwelkbare rozen getooid, daalde Hygiéa, de schoone, maar strenge godendochter neer in 't dal, dat de Nijl met zijn vruchtbare wateren doorspoelt. En zij ging tot de oversten des volks en sprak op strengen toon :

„Wat laat gij het hoofd moedeloos zinken op de borst en hangen Uw armen lusteloos langs 't lijf! Laat gij zoo het

Sluiten