Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XI. KOUVATTEN.

Een gloeiende kachel in een klein vertrek is nadeeliger dan de felste kou.

Tocht is gevaarlijk; vrees voor tocht is erger.

Verkoudheid is meestal het gevolg van snelle en sterke afkoeling.

Onder de schouw.

Kent ge Hannes den schapenboer? Een krasse zeventiger, maar eigenwijs, . . . van wat-ben-je-me! Dat zie je wel aan zijn spitse, vooruitstekende kin, zijn krommen neus, zijn scherpe trekken, zijn nog altijd fonkelende oogen, zijn rechtlijnigen mond en' niet het minst aan zijn pet, die hij altijd dwars op zijn lange haren draagt. Toch is ie niet dom en zegt je menigmaal een waarheid, waar je nog nooit over nagedacht hebt.

's Wintersavonds ga ik wel eens een pijp bij hem rooken Gezellig is 't er nu juist niet: een groot vertrek — je zoudt er vier van kunnen maken' —; hoog, hol, en heelemaal niet warm; een breede, ouderwetsche boerenschoorsteen in 't midden, waaronder een hel flikkerend houtvuur en Hannes in zijn grooten stoel terzijde daarvan in den hoek. Gezellig is toch dat vroolijk knappend, licht laaiend houtvuur en de gemoedelijke verhalen uit de oude doos, waarvan Hannes een onuitputtelijken voorraad heeft. Gewoonlijk is 't begin :

— Wat nieuws, meester?

— Nou, Hannes, niets bizonders, als dat het bar koud is, en hier is 't ook niet warm. Dan stoken ze bij Mieke, je dochter, beter!

— Jawel, maar daar hebben ze ook zoo'n nieuwerwetsch ding, zoo'n kachel, en ze stoken, of ze levend gebraden moeten worden. Maar daarom zijn ze ook altijd verkouden.

— Kom Hannes, dat komt toch niet van de kachel, maar van de kou en den guren wind.

— En ik dan? Verkouden ben ik nooit en hoesten doe ik van zijn leven niet; al ben ik ook de zeventig gepasseerd.

— Och Hannes, je bent nog zoo'n stevige ouwerwetsche, maar 't jonge geslacht kan er niet meer tegen.

Sluiten