Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 9. De schoolarts houdt toezicht op de hygiënische inrichting, toestand en verzorging van de schoolgebouwen, schoolmeubelen en leermiddelen en het gebruik daarvan, voor zoover dit de schoolhygiëne betreft. In alle deze betreffende aangelegenheden dient hij B. en W. van advies.

Art. 10. Wanneer zich één of meer gevallen van besmettelijke ziekten in de school voordoen, treedt de schoolarts, zoo noodig, onverwijld in overleg met den Burgemeester omtrent het nemen van maatregelen ter voorkoming van uitbreiding en kan hij in spoedeischende gevallen maatregelen nemen onder nadere goedkeuring.

Art. 11. In geval van ziekten, niet in de wet tot voorziening tegen besmettelijke ziekten genoemd, die voor medescholieren gevaar kunnen opleveren, is de schoolarts bevoegd het daaraan lijdend kind van de school te doen verwijderen, waarbij aan ouders of verzorgers de reden van die

verwijdering wordt medegedeeld.

Weder toelating van het verwijderde kind kan slechts geschieden na vastgestelden tijd of na inlevering van een bewijs van den school- of den huisarts, dat het kind geen

gevaar meer oplevert.

Ook in gevallen van mazelen en kinkhoest, voorkomende bij huisgenooten van een kind, dat nog niet aan deze ziekte geleden heeft, behoort die verwijdering te geschieden.

Art. 12. Jaarlijks zal (zullen) de schoolarts(en) aan B. en W. verslag uitbrengen van zijne (hunne) werkzaamheden en bevindingen.

Art. 13. Wanneer een kind wegehs ziekte gedurende drie dagen de school niet heeft bezocht, zal het schoolhoofd een onderzoek instellen naar den aard der ziekte. Blijkt het kind te lijden aan eene ziekte, die gevaarlijk voor de medeleerlingen is, of die reeds infectie kan hebben ver-

Sluiten