Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ouderlijke Macht en Minderjarigheid.

Een niet-onbeteekenende wijziging in het Burgerlijk Wetboek is deze, dat de uitdrukking „de Vaderlijke Macht" is veranderd in „de Ouderlijke Macht." Hiermede wordt het beginsel uitgewerkt, dat tegenover de kinderen de plichten en rechten van vader en moeder gelijk zijn. Wel oefentin den regel de vader deze macht uit, althans voor zoover die macht zich naar buiten openbaart, doch in verschillende levensomstandigheden zal toch de gelijkstelling zich doen gevoelen. Zoo is thans bij het sluiten van een huwelijk, in afwijking van het vroegere recht, de toestemming van beide ouders vereischt. (Arten 354, 355, 92 B. W.)

In verband met deze laatste bepaling, die het sluiten van een huwelijk bemoeilijken kan, is van beteekenis, dat de leeftijd voor de meerderjarigheid is teruggebracht van het 23ste tot het 21ste levensjaar. Op 1 December 1905 zijn dus alle jeugdige personen, die toen hun 21ste levensjaar hadden volbracht, meerderjarig geworden. (Art. 385 B. W.)

Weezen.

In zake het gezag over weezen brengt de nieuwe wet zeer belangrijke verbeteringen.

Konden vroeger alleen mannen worden benoemd tot voogd, thans kan de langstlevende der ouders, bij het vaststellen van zijn uitersten wil, voor het aanwijzen van een voogd over zijne kinderen een keuze doen uit zijne mannelijke en zijne vrouwelijke bekenden. (Arten 409, 386a B. W.)

Voogdij van Vereenigingen en Stichtingen.

Waar de Kantonrechter of de Rechtbank den voogd aanwijst, kan hij niet alleen mannen en vrouwen benoemen doch hij kan ook de voogdij opdragen aan eene rechtspersoonlijkheid-bezittende Vereeniging, aan eene Stichting, of

Sluiten