Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kas of die uitgetrokken zijn, een hoogere bijdrage te geven dan hun, die geen lid zijn van een werkloozenkas. De vraag is nu, hoeveel moeten de eersten meer ontvangen dan de laatsten, en hij zou daarbij degenen die trekken en die uitgetrokken zijn niet op denzelfden voet willen behandelen.

De Directeur vestigt de aandacht erop, dat zijn bedrag reeds hooger gaat dan dat welke de heeren van het K. N. S. in het onderhoud hebben genoemd. Gaat men nu nog verder, dan is er kans, dat de heeren van het K. N. S. zich weer vrij zullen gaan voelen en zonder verder overleg de zaak zullen regelen, zooals zij die het beste achten.

De heer Smulders geeft een voorbeeld, waaruit zou blijken, dat de uitkeering + steun vaak nog zal blijven onder 70% van het loon. Stel dat een vakarbeider ƒ 18.— verdient, dan is 70% hiervan ƒ 12.60, de norm voor de uitkeering van het steuncomité is ƒ 6.—, uit de werkloozenkas krijgt hij ƒ 6.—, hij zal dus in een week ƒ 9.— ontvangen.

De Directeur doet opmerken, dat in de groote steden aan een gehuwde per week niet ƒ 6.— wordt gegeven, doch in den regel een hooger bedrag en dat er bovendien bijkomt een toeslag voor huur en kinderen, zoodat men in den regel boven 70% zal komen.

De heer Kruithof verklaart reeds blij te zijn met hetgeen door Voorzitter en Secretaris in het onderhoud is bereikt. Nu gaan de voorstellen, in het bijzonder omtrent het } reeds verder en hij zal er gaarne mee meegaan om te trachten dit te verkrijgen, maar hij gelooft, dat indien men meer zou vragen men de voorstellen zeer in gevaar zal brengen, zoodat hij het voorstel van het Bureau v. d. R. K. Vakorganisatie niet kan steunen.

De heer Eolmer vreest ook, dat hetgeen de heeren Haazevoet en Smulders willen, tot gevolg zal hebben, dat het verlagend zal werken op de uitkeering aan de ongeorganiseerden. Om de beraadslagingen niet ingewikkelder te maken en waar het toch meer gaat om het principe van de verhouding, neemt hij zijn voorstel om een hoogere verhouding te nemen, dan het N. V. V. voorstelde, terug.

De heer Smulders verklaart zich niet overtuigd, dat het voorste] van hem cn den heer Haazevoet de uitkeering omlaag trekt. Zijns inziens moet men zich niet laten leiden door de vraag, wat wil de Minister niet of wel, maar of het voorstel verdedigbaar is.

De Voorzitter meent, dat de zaak nu van alle kanten genoegzaam bekeken is. Zijns inziens heeft het voorstel van de heeren Haazevoet en Smulders geen kans van slagen. Bij stemming over het voorstel van genoemde heeren verklaren alleen de heeren Haazevoet en Smulders zich er voor. De Voorzitter zegt daarop, dat in het schrijven aan het K. N. S. er op gewezen kan worden, dat het de wensch is een vast deel

Sluiten