Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BIJLAGE H.

Amsterdam, 30 November 1917.

Aan den Minister van Waterstaat.

Excellentie,

De Nederlandsche Werkloosheids-Raad heeft de eer de aandacht van Uwe Excellentie er op te vestigen, dat meer en meer zoogenaamde „wachtgeld"-regelingen tot stand komen. De bedragen, volgens deze regelingen uitgekeerd, zijn in den regel lager dan het normale weekloon.

De Nederlandsche Werkloosheids-Raad is van oordeel, dat het in het belang der ontwikkeling der verzekering tegen werkloosheid is, indien het bedrag, dat het wachtgeld of garantieloon lager is dan het normale loon, beschouwd zou worden als gederfd tengevolge van gedeeltelijke werkloosheid. Kassen, wier reglementen bepalingen bevatten omtrent uitkeering bij gedeeltelijke werkloosheid, zouden dan uitkeeringen kunnen verstrekken. Ter bepaling van de grootte dier uitkeeringen ware dan het bedrag, dat het garantieloon (wachtgeld, of hoe een dergelijke uitkeering hoeten moge), minder bedraagt dan het gewone weekloon, te deelen door het gewone uur- of dagloon, teneinde te berekenen, over hoeveel uren of dagen geen loon wordt ontvangen ; volgens dezen grondslag zou dan de uitkeering kunnen worden vastgesteld.

Zou Uwe Excellentie zich met deze opvatting kunnen vereenigen, dan verzoekt de Nederlandsche Werkloosheids-Raad Uwe Excellentie wel van deze opvatting aan de besturen der werkloozenkassen en aan de gemeentebesturen kennis te willen geven.

De Nederlandsche Werkloosheids-Raad :

W. H. Nolens, Voorzitter.

J. Gerritsz, Secretaris.

Sluiten