Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op een herstel der vroegere Noodregeling, waar niemand iets voor voelde. De heer Treub voelde er wel voor aan uitgetrokken leden van werkloozenkassen iets meer te geven dan aan nietverzekerden. Toen is een bedrag van ƒ 1.— genoemd.

Ondergeteekende heeft dan ook, overeenkomstig hiermede, aan den Werkloosheids-Raad voorgesteld, zich met dit bedrag van ƒ 1.— te vereenigen. De vergadering was echter van meening, naar aanleiding van een voorstel van de vertegenwoordigers van het N. V. V., dat het genoemde bedrag van ƒ 1.— den indruk maakt van min of meer willekeurig te zijn genomen, en ook hierdoor eenigszins het karakter van een gift draagt, terwijl door den bijslag, door het steuncomité te verstrekken boven het gewone bedrag, in verhouding te brengen tot het bedrag van de vroeger genoten uitkeering uit de werkloozenkas, beter het verband tusschen dien bijslag en het verzekerd zijn van den uitgetrokkene tot uitdrukking komt. Op deze gronden kwam de Werkloosheids-Raad tot het besluit U te verzoeken te willen bevorderen, dat de bedoelde bijslag aan uitgetrokkenen zal worden bepaald op | van het vroeger genoten uitkeeringsbedrag uit de werkloozenkas.

Wat betreft Uwe opmerking, dat trouwens voor de uitgetrokkenen eene afzonderlijke regeling geldt, moge ik U mededeelen, dat mij niet duidelijk is, welke regeling U hierbij op het oog heeft.

Aangaande het laatste in Uw schrijven gememoreerde punt meen ik te mogen doen opmerken, dat m.i. dit niet in strijd is met hetgeen met de heeren van Uw Bureau besproken werd, doch dat de Werkloosheids-Raad slechts de in het onderhoud genoemde bedragen hooger heeft gesteld.

In dat onderhoud was men tot de conclusie gekomen, dat, indien het garantieloon (eene uitdrukking waaraan onze Voorzitter boven andere als bijv. wachtgeld, den voorkeur gaf) minder mocht bedragen dan 70% van het gewone loon, uit de werkloozenkas eene uitkeering zou mogen worden verstrekt tot een zoodanig bedrag, dat garantieloon plus uitkeering tezamen niet meer zouden mogen bedragen, dan 70% van het gewone loon.

Om de uitvoering van dit denkbeeld beter te doen passen in het kader van de reglementen op de werkloozenkassen en om de ontvangsten voor de werklooze leden van werkloozenkassen te verhoogen, is de Werkloosheids-Raad er toe gekomen voor te stellen het bedrag, dat een werkloos lid van een werkloozenkas minder ontvangt aan arbeidsloon en garantieloon dan zijn gemiddelde weekloon, te beschouwen als ontstaan door gedeeltelijke werkloosheid. Een gevolg hiervan zal zijn, dat uitkeeringsgerechtigde leden van werkloozenkassen lioogere bedragen zullen ontvangen dan niet-verzekerde arbeiders. Wordt het bedrag van 70%, genoemd in hooger bedoeld onderhoud, aangehouden, dan zal er practiseh weinig verschil be-

Sluiten