is toegevoegd aan uw favorieten.

Wet van den 8sten December 1902, S. 208, zooals die wet gewijzigd is bij de wetten van 5 Juni 1905, S. 161, 1 Juli 1909, S. 250, 28 December 1911, S. 374, 1 Mei 1917, S. 358 en 26 Juli 1918, S. 494 tot uitvoering van art. 75 der Ongevallenwet 1901 (Beroepswet)

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 2

zou, meen ik, de burgerlijke rechter daardoor wel eens tot de conclusie kunnen komen, dat aan zijn competentie, zooals hij die opvat, die, zij het dan ook niet op de Grondwet, toch op de practijk is gegrond, door dit artikel geen afbreuk werd gedaan. Men wilde hier dus duidelijk te kennen geven, dat in de zaken, die het hier betreft, alleen de raden van beroep en de centrale raad mogen oordeelen; daarom zijn de woorden „bij uitsluiting" hier opgenomen.

Art. 2. Wij stellen bij algemeenen maatregel van bestuur de rechtsgebieden en de standplaatsen van de raden van beroep vast.

Het aantal van deze raden bedraagt ten minste zeven.

Behalve ter standplaats zullen, overeenkomstig regelen bij algemeenen maatregel van bestuur te stellen, terechtzittingen van de raden van beroep, bijeenkomsten in raadkamer en nederlegging van stukken ter kostelooze inzage van belanghebbenden plaats hebben in de gemeenten, bij algemeenen maatregel van bestuur aangewezen.

De vereischte voorschriften van inwendigen dienst worden tevens bij algemeenen maatregel van bestuur vastgesteld.

Dit artikel is aldus nader vastgesteld bij de wet van 1 Mei 1917, S. 358.

Oorspronkelijk bepaalde artikel 2, dat in elke provincie of in elk gedeelte eener provincie, bij algemeenen maatregel van bestuur aangewezen, een raad van beroep zou zijn. Bij het, sedert ingetrokken, Koninklijk besluit van 8 December 1902, S. 210, waren 16 raden van beroep ingesteld. Blijkens de M. v. T. op de wijzigingswet van 1 Mei 1917 had de ervaring echter geleerd, dat hun aantal tot 7 kon worden teruggebracht, zonder dat voor deze overblijvende colleges overbelasting dreigde. — Zie voor de uitvoering van dit artikel het