is toegevoegd aan uw favorieten.

Wet van den 8sten December 1902, S. 208, zooals die wet gewijzigd is bij de wetten van 5 Juni 1905, S. 161, 1 Juli 1909, S. 250, 28 December 1911, S. 374, 1 Mei 1917, S. 358 en 26 Juli 1918, S. 494 tot uitvoering van art. 75 der Ongevallenwet 1901 (Beroepswet)

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 138 -

valsche opgave doet, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zès maanden.

Het tweede lid van artikel 134 is ten deze van toepassing.

Art. 138. Als misdrijf wordt beschouwd het in artikel 137, als overtredingen de in de artikelen 134 en 135 strafbaar gesteld*» feiten.

Dit artikel is aldus nader vastgesteld bij de wet van 1 Mei 1917, S. 358.

Art. 139. Met het opsporen der feiten, strafbaar gesteld in deze wet, zijn, behalve de in artikel 8 Wetboek van Strafvordering aangewezen personen, belast : de burgemeesters, de voorzitters en de griffiers van de raden van beroep, de voorzitter, de ondervoorzitters, de leden, de griffier en de substituut-griffiers van den centralen raad van beroep, benevens de ambtenaren, bedoeld in artikel 12 der arbeidswet.

Dit artikel is aldus gewijzigd bij de wet van 1 Juli 1909, S. 250.

HOOFDSTUK II.

Slotbepalingen.

Art. 140. De kosten, voor het Rijk voortvloeiende uit de uitvoering dezer wet, worden gebracht ten laste van het hoofdstuk der Staatsbegrooting betreffende het Departement van Justitie.

Art. 141. Elke provincie of gemeente draagt de kosten voor de verrichtingen, waarvoor haar bestuur, ingevolge de bepalingen van deze wet, of van ter uitvoering daarvan uitgevaardigde algemeene maatregelen van bestuur, heeft te zorgen.