Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De wijzigingswet van 1 Mei 1917, S. 358, bevatte de volgende overgangs- en slotbepalingen :

Overgangsbepalingen.

Art. 22. De thans bestaande raden van beroep zijn ontbonden.

Art. 23. De voorzitters van de ontbonden raden van beroep en de griffiers, de schrijvers en de bedienden bij die colleges behouden de volle wedde, ten tijde van de inwerkingtreding van deze wet door hen genoten, als wachtgeld en wel:

1°. zij die op den dag van de inwerkingtreding van deze wet den vollen ouderdom van 65 jaren bereiken of bereikt hebben, levenslang ;

2°. de anderen tot dat zij hetzij op hun verzoek in eene van Rijkswege bezoldigde betrekking geplaatst zijn, hetzij eene betrekking weigeren te aanvaarden, die hun krachtens de artikelen 25, 28 of 29 ook buiten hun verzoek kan worden opgedragen.

Indien een bediende, als in het eerste lid bedoeld, ten tijde van de inwerkingtreding van deze wet, in het genot was van vrije woning, al of niet met vrij gebruik van vuur en licht, ontvangt hij als wachtgeld zijne wedde, vermeerderd met het bedrag, waarop dit genot voor de regeling van den pensioensgrondslag was begroot.

Art. 24. Als diensttijd komt bij de regeling van de pensioenen der ambtenaren, in artikel 23 bedoeld, ook in aanmerking de tijd, verloopen tusschen de inwerkingtreding van deze wet en hunne herplaat-

Sluiten