Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State. Het Loo, den 8sten December 1902.

WILHELMINA. De Minister van Justitie, J. A. Loeff. De Min. van Binnenl. Zaken, Kuyper.

(Uitgeg. 12 Dec. 1902.)

Besluit van den 12den December 1902, S. 218, tot vaststelling van een algemeenen maatregel van bestuur, als bedoeld in artikel 40 der Beroepswet. (Zooals dit besluit gewijzigd is bij besluit van 11 Juni 1917, S. 462.)

Wij WILHELMINA, enz.

Op de voordracht van Onzen Minister van Justitie, van 13 November 1902, afd. 2 A, n°. 44, Geheim ;

Gezien artikel 40 der Beroepswet;

Den Raad van State gehoord (advies van 2 December 1902, n°. 14);

Gelet op het nader rapport van Onzen voornoemden Minister van 10 December 1902, afd. 2 A, n°. 47, Geheim ;

Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen :

Art. 1. De kennisgeving bedoeld in het eerste lid van artikel 40 der Beroepswet geschiedt door den voorzitter van den raad van beroep door middel van een door hem ingevuld en onderteekend formulier, waarvan het model wordt vastgesteld door Onzen Minister van Justitie.

2. De kennisgeving wordt uitgereikt:

1°. indieil zij is gericht aan een persoon, ingevolge het tweede lid van artikel 40 der Beroepswet aansprakelijk voor de nakoming der verplichting aangeduid in het eerste lid van dat artikel en deze hier te lande zijne woon- of verblijfplaats heeft, aan die woonof verblijfplaats;

2°. in alle andere gevallen aan de woonplaats, welke de werkgever, in wiens onderneming het lid of plaatsvervangend lid in de kennisgeving aangeduid werkzaam is, heeft voor de toepassing der Ongevallenwet 1901, (artikel 32 Ongevallenwet 1901.)

Sluiten