is toegevoegd aan uw favorieten.

Wet van den 8sten December 1902, S. 208, zooals die wet gewijzigd is bij de wetten van 5 Juni 1905, S. 161, 1 Juli 1909, S. 250, 28 December 1911, S. 374, 1 Mei 1917, S. 358 en 26 Juli 1918, S. 494 tot uitvoering van art. 75 der Ongevallenwet 1901 (Beroepswet)

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Derde Afdeeling. 1

Van de rijksklerken en hulpschrijvers.

72a. De schrijvers bij den Centralen Raad van Beroep en de raden van beroep voeren den titel van rijksklerken.

Zij worden benoemd, voor zoover den Centralen Raad van Beroep aangaat, op eene aanbeveling van dit college, en voor zoover de raden van beroep betreft, op eene aanbeveling van den voorzitter van den betrokken raad.

72b. Tot rijksklerken bij den Centralen Raad van Beroep en de raden van beroep zijn benoembaar zij, die :

1. den vollen ouderdom van 21 jaren bereikt en dien van 40 jaren nog niet overschreden hebben en voor het ambt van rijksklerk ook lichamelijk geschikt worden geacht;

2. ten minste 2 jaar op een griffie van een der gerechten, in den aanhef van dit artikel genoemd, of op een griffie of een parket van een der burgerlijke gerechten als hulpschrijver hebben gewerkt;

3. voor zoover de rijksklerken der eerste klasse aangaat, voldaan hebben aan het onderzoek, dat voor de rijksklerken dier klasse ter griffie of ten parkette bij de burgerlijke gerechten door Onzen Minister van Justitie, krachtens art. 28, onder 3, van het Reglement n°. IV op de organisatie en de dienst der Deurwaarders en verdere regtsbedienden wordt bepaald.

In bijzondere gevallen kan van de bepaling onder 2 van dit artikel worden afgeweken.

72c. De rijksklerken bij den Centralen Raad van Beroep en de raden van beroep zijn verdeeld in twee klassen.

De jaarwedde der rijksklerken van de tweede klasse bedraagt f 600 en wordt verhoogd na een diensttijd als rijksklerk van deze klasse van :

2 jaar tot op f 700 ;

In bijzondere gevallen kan bij de aanstelling eene hoogere dan de aanvangsjaarwedde worden

1 Deze afdeeling is ingevoegd bij besluit van

11 Juni 1917, S. 461.

4 6 8 10

800 : 900 1000 1100.