is toegevoegd aan uw favorieten.

Wet van den 8sten December 1902, S. 208, zooals die wet gewijzigd is bij de wetten van 5 Juni 1905, S. 161, 1 Juli 1909, S. 250, 28 December 1911, S. 374, 1 Mei 1917, S. 358 en 26 Juli 1918, S. 494 tot uitvoering van art. 75 der Ongevallenwet 1901 (Beroepswet)

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan wien zij in hunne ambtsbetrekking ondergeschikt zijn.

72m. Indien een bediende of rijksklerk wegens ziekte verlof geniet, of zonder in het genot van verlof te zijn, door ziekte verhinderd wordt, zijn ambt waar te nemen, komen de onvermijdelijke kosten, aan zijne vervanging verbonden, voor de eerste 6 weken ten laste van het Rijk ; daarna kunnen zij te zijnen laste worden gebracht.

72». Indien een bediende of rijksklerk gedurende één jaar verhinderd is geweest zijne betrekking waar te nemen, of gedurende één jaar wegens ziekte verlof heeft genoten, en nog geen termen bestaan voor ontslag, kunnen Wij bepalen, met welke bedrag zijne bezoldiging zal worden verminderd.

72o. De tijd, gedurende welken krachtens wettelijk voorschrift verlof wordt genoten ter vervulling van militairen dienstplicht, komt van rechtswege in aanmerking als diensttijd, geldig voor de toekenning van periodieke weddeverhoogingen.

Als diensttijd in den zin van het eerste lid blijft buiten aanmerking de tijd, gedurende welken de bediende of rijksklerk als zoodanig is geschorst, alsmede die buiten bezwaar van 's Rijks schatkist met verlof doorgebracht, indien het verlof langer dan één jaar achtereenvolgens heeft geduurd, of verleend is op een vrijelijk door den bediende of rijksklerk gedaan verzoek in zijn persoonlijk belang.

Wij behouden Ons nochtans voor om in de gevallen, waarin een verlof langer dan een jaar achtereenvolgens in 's Rijks belang verleend wordt, te bepalen, dat de tijd van het verlof als diensttijd in den zin van het eerste lid in aanmerking zal komen.

De bedienden en rijksklerken kunnen wegens het niet-naleven van eenig voorschrift of gebrek aan ijver, plichtverzuim of onwaardig of onbehoorlijk gedrag in of buiten dienst, door hem, aan wien zij in hunne ambtsbetrekking ondergeschikt zijn, worden gestraft met :

a. schriftelijke berisping ;

b. ontneming van aanspraak op verlof, of

c. op de wedde in te houden geldboete van ten hoogste f 25.

De strafoplegging heeft plaats bij met rede-