Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3. Indien een substituut-griffier bij den centralen raad van beroep, den hoogen raad, een gerechtshof, eene arrondissements-rechtbank of een kantongerecht, een griffier van een van de kantongerechten behalve die van de kantongerechten te Amsterdam, Rotterdam en '-Gravenhage, of een ambtenaar van het openbaar ministerie bij een kantongerecht benoemd wordt tot eene betrekking, aan welke ingevolge artikel 1 eene aanvangsjaarwedde van f 3000 of meer is verbonden, tellen zijne vroegere dienstjaren ten hoogste ten getale van 10 mede bij de berekening van de wedde, in het nieuwe ambtgenoten.

4. Indien zij, die als advocaat of als ambtenaar in bezoldigden openbaren dienst werkzaam zijn of geweest zijn, tot een der in artikel 1

v bedoelde betrekkingen, uitgenomen die van

substituut-griffier bij den centralen raad van beroep, worden benoemd, tellen de jaren, gedurende welke zij als advocaat of ambtenaar werkzaam waren, voor zoover die het aantal 5 overtreffen, bij de berekening van hunne wedde als dienstjaar mede.

5. Voor de berekening van de jaarwedden, bedoeld in de artikelen I tot en met 4, tellen alle dienstjaren, welke vóór 1 Januari 1918 zijn vervuld, mede.

Voor die berekening vindt artikel 4 overeenkomstige toepassing ook ten aanzien van hen, die vóór dezen datum zijn benoemd.

OVERGANGSBEPALINGEN. 1

6. De traktementen van de op 1 Januari 1918 in dienst zijnde ambtenaren, genoemd in artikel 1, worden met dien dag gebracht op de zuivere bezoldiging op 1 Januari 1918 volgens de tot dan geldende salarisregeling, vermeerderd met 75 pCt. van het verschil tusschen de bezoldiging naar de nieuwe regeling op 1 Januari 1918 en genoemde zuivere bezoldiging.

Het aldus berekende bedrag wordt tot een tiental van guldens naar boven afgerond.

7. Onder de zuivere bezoldiging op 1 Januari 1918 volgens de tot dan geldende salarisregeling wordt verstaan de op dien dag in het

1 Zie met betrekking tot deze overgangsbepalingen de aanteekening aan het slot van dit besluit. %

Sluiten