Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

S. & J. Nu. 65. 4* druk.

EERSTE AANVULLING

der

WET

tot uitvoering van art. 75 der Ongevailenwet 1901. (BEROEPSWET)

Besluit van den 27sten Februari 1920, S. 92 tot nadere wijziging van het Koninklijk besluit van 3 September 1918 {Staatsblad n°. 540), houdende bepalingen omtrent de jaarwedden var. de leden en den griffier van en de substituut-griffiers bij den centralen raad van beroep en van de voorzitters en griffiers van de raden van beroep. Wij WILHELM1NA, enz.

Op do voordracht van Onzen Minister van Justitie, van den 12den Januari 1920, afdeeling A. S., n°. 869 ;

Den Raad van State gehoord (advies van 17 Februari 1920, n°. 144) ;

Gelet op het nader rapport van Onzen voornoemden Minister, van den 25sten Februari 1920, n°. 874 ;

Hebben goedgevonden en verstaan : gerekend met ingang van 1 Januari 1918 te bepalen als volgt :

Eenig artikel.

In artikel 2 van Ons besluit van 3 September 1918 (Staatsblad n°. 540), gewijzigd bij Ons besluit vau 10 Maart 1919 (Staatsblad n°. 96), wordt tusschen het derde en vierde lid een nieuw lid ingelascht, luidende als volgt :

„Indien een der in artikel 1 genoemde ambtenaren wegens het bekleeden van het lidmaatschap van een der beide Kamers der Staten-Generaal op non-activiteit is gesteld geweest, telt na het eindigen dier non-activiteit de duur daarvan ook mede als diensttijd ter berekening van de wedde".

Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State en aan de Algemeene Rekenkamer. 's-Gravenhage, den 27sten Februari 1920.

WILHELMUS! A. De Minister van Justitie, Heemskerk.

(Uitgeg. 5 Maart 1920.)

Sluiten