Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 10

„De ondergeteekenden kunnen geen vrijheid vinden deze uitzonderingsbepaling, die een niet onbelangrijke verzachting van de voorstellen der Staatscommissie is, nog uit te breiden. Volgens het ontwerp der Staatscommissie zou bij den dood van den houder de vergunning onmiddellijk vervallen en een nieuwe moeten worden aangevraagd. Dit ontwerp van wet stelt van die aanvrage hen vrij, die met den overledene in zeer nauwe betrekking stonden en geacht mogen worden het leven op gelijke wijze voort te zullen zetten. De uitzonderingsbepaling uit te breiden ooi* tot de andere bewoners van den woonwagen of het woonschip zou te ver gaan. Met name zou het ongewenscht zijn als vanzelfsprekend aan te nemen, dat alleen achterblijvende minderjarige kinderen den woonwagen zullen blijven bewonen. Veelal zal het gewenscht zijn, dat met den dood van de ouders een einde wordt gemaakt aan het zwervend leven.

Men vergete bovendien niet, dat onmiddellijk na den dood van den houder een nieuwe vergunning kan worden aangevraagd. Alléén het vanzelf doorloopen der vergunning is in art. 9 beperkt tot den echtgenoot en de minderjarige bloedverwanten in de rechte lijn."

Verder merkte zij, naar aanleiding van eene vraag in het V. V., nog op, dat het niet twijfelachtig schijnt, dat onder den mannelijken vorm „den echtgenoot" en „den bloedverwant" in het eerste lid eveneens personen van het vrouwelij geslacht begrepen zijn.

Art. 10. Onze Commissaris weigert bij met redenen omkleed besluit de vergunning :

1°. indien de aanvraag niet overeenkomstig de bepalingen dezer wet of van den krachtens deze wet vastgestelden algemeenen maatregel van bestuur is gedaan ;

2°. indien de inrichting van den woonwagen of het woonschip niet voldoet aan de eischen, gesteld in den algemeenen maatregel van bestuur ;

Sluiten