Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 10

blijven met de terminologie van art. 1 der Vreemdelingenwet. Bovendien is ook ten aanzien van sommige geoorloofde bedrijven, die een voldoend middel van bestaan opleveren, de uitdrukking „behoorlijk" wel wat al te schoonklinkend.

Het schijnt verder niet gewenscht dit art. en art. 11 óók toepasselijk te verklaren, zooals ten aanzien van de artt. 4—6 is bepaald, op de tijdelijke vergunning, bedoeld in art. 3, lid 2. Bij deze tijdelijke vergunning mag een zoo nauwkeurig onderzoek niet worden geeischt. Slechts mag vertrouwd worden, dat het hoofd van het kantoor der invoerrechten zich zal afvragen, of een vergunning van den Commissaris later mogelijk is, en, Indien dit volstrekt onmogelijk te verwachten is, dan ook de tijdelijke vergunning zal weigeren." (M. v. T.)

— De redactie der bepaling onder 4°. werd in het V. V. te ruim geacht en zou daardoor tot zeer uiteenloopende beslissingen aanleiding kunnen geven. ,, „Voldoende middelen van bestaan" is een zeer vaag begrip en de eene autoriteit zal het aanwezig zijn daarvan spoediger aannemelijk achten dan zijn ambtgenoot in eene andere provincie. Men sprak den wensch uit, dat als voldoende middelen van bestaan niet zouden worden aangemerkt de velerlei vormen van vermomde bedelarij als bespeling van nietswaardige instrumenten, het vertoonen van apen en marmotten, het te koop aanbieden van waren, welke niet kunnen wordén beschouwd eene contrapraestatie voor het te geven geld te zijn. Op dezen grond verdiende de in de Memorie van Toelichting bestreden uitdrukking „behoorlijke middelen van bestaan" de voorkeur, welke term dan evenzoo in art. 12, 3°., zou moeten worden gebruikt."

De Regeering beantwoordde deze opmerkingen als volgt :

„De ondergeteekenden deelen volkomen den wensch, dat de velerlei vormen van vermomde bedelarij, als in het Voorloopig Verslag genoemd, door de Commissarissen der Koningin niet zullen worden aangemerkt als „voldoende middelen van bestaan".

W anneer zij desniettemin meenen niet ge-

Sluiten