Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 13

jegens den houder, opdat deze niet blootsta aan het gevaar, dat de vergunning wordt in1 getrokken, omdat hij nachtverblijf verleent to goeder trouw aan een persoon, die b.v. drie maanden geleden een misdrijf heeft gepleegd." (M. v. T.)

Het onder 6°. in dit artikel bepaalde

dateert — evenals de overeenkomstige bepaling onder 4° van art. 11 — eerst van de mondelinge behandeling van het wetsontwerp.

Ad lum. „Bij de beoordeeling der vraag, of vergunning zal worden verleend, kan dikwijls den doorslag geven de goede indruk, dien de Commissaris van den „aanvrager", toekom stigen „houder" der vergunning, heeft ontvangen. Zijn persoonlijkheid kan een waarborg zijn, dat de wettelijke bepalingen bij eventueel verleenen der vergunning zullen worden nageleefd. Met het oog hierop dient de wet een voorziening te treffen, voor het geval dat na het verkrijgen der vergunning de houder den woonwagen of het woonschip verlaat. De vergunning moet dan kunnen worden ingetrokken." (M. v. T.)

— Vóórdat tot intrekking wordt overgegaan, moet in den regel de houder der vergunning worden gehoord. Verg. art. 24 van het hierna als bijlage opeenomen besluit van 28 Juli 1919, S. 530.

Art. 13. Afschrift van het besluit tot intrekking der vergunning wordt zoo spoedig mogelijk namens Onzen Commissaris van wege den burgemeester der gemeente, waar de woonwagen of het woonschip zich bevindt, uitgereikt aan den houder der vergunning of, zoo deze niet meer in den woonwagen of het woonschip verblijf houdt, aan den echtgenoot of den oudsten medebewoner. Van deze uitreiking wordt proces-verbaal opgemaakt.

Indien de houder niet meer in den woonwagen of het woonschip verblijf houdt, wordt zoo mogelijk tevens af-

Sluiten