Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 32

eenige verruiming te moeten voorstellen. Die verruiming, bestaande in eene aanvulling van het tweede lid zooals dit thans luidt, w erd in de M. v. A. als volgt toegelicht:

„In de voorgestelde wijziging wordt aan de gemeentebesturen de bevoegdheid gegeven van woonwagens en woonschepen, die een bepaalden in de verordening te bepalen tijd, welke niet korter mag worden genomen dan twee weken, in de gemeente verblijf houden, een retributie te heffen.

Hierdoor zal eenerzijds bereikt worden, dat woonwagens niet zonder reden al te lang in één gemeente hun verblijf gevestigd houden, en anderzijds wordt eenigszins te gemoet gekomen aan den wensch van hen, die voor iedere vergunning een vergunningsrecht wilden bepaald zien. Dat woonwagens, die méér dan veertien dagen per jaar in een gemeente verblijf houden, ook in bescheiden mate mede bijdragen in de gemeentelijke lasten, schijnt inderdaad billijk.

Dat de gemeentelijke voorschriften ook op particuliere gronden betrekking kunnen hebben, in zooverre als ook deze kunnen aangewezen worden als verboden terrein voor het verblijf van woonwagens en woonschepen, schijnt niet twijfelachtig."

— Zie voorts omtrent den datum van inwerkingtreding van dit artikel de aanteekening op 8rt. 34.

Art. 32. In de wet van 4 December 1872 (Staatsblad n°. 134), laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 April 1912 (Staatsblad n°. 165), worden de volgende wijzigingen aangebracht:

In de artikelen 2 en 3, lid 1, wordt voor „slaapsteden of logementen" gelezen : „slaapsteden, logementen, woonwagens of woonschepen".

In artikel 4 wordt voor „huizen, keeten en vaartuigen" gelezen : „huizen, woonwagens, keeten en vaartuigen".

In artikel 14 wordt voor „huizen of vaartuigen" gelezen : „huizen, woonwagens of vaartuigen".

Sluiten