Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 35

gemaakt en van hun onderkomen beroofd zijn, daar tal van woonwagens en woonschepen blijkens het onderzoek niet voor verbetering vatbaar waren gebleken. „Beter schijnt" — aldus de M. v. T. tot het wetsontwerp — ,,een langzame uitsterving, zoodat de slechte woonwagens en woonschepen nog mogen bewoond worden gedurende het leven van den tegen woordigen hoofdbewoner en diens echtgenoote. Billijkheidshalve is deze gunstige overgangsbepaling mede van toepassing gesteld ten aanzien van die woonwagens en woonschepen, die op het oogenblik der afkondiging dezer wet nog wèl geschikt zijn, doch eenigen tijd later ongeschikt worden. De tegenwoordige bewoners ook van deze woonwagens en woonschepen kunnen gedurende hun leven ondanks dit gebrek hunner woningen nieuwe vergunningen krijgen.

Is de hiervoor gestelde overgangsbepaling in zooverre dus ruimer, aan den anderen kant wordt thans verboden dat vergunningen zullen worden verleend aan personen, die geen voldoende middelen van bestaan hebben.

Slechte woonwagens en woonschepen worden nog eenigen tijd geduld, slechte bewoners niet."

Niettegenstaande de vrees van vele leden, dat deze overgangsbepaling aan het nuttig effect der wet ernstige afbreuk zou doen, is zij in de wet opgenomen.

De M. v. A. betoogde uitvoerig, dat alleen zij, die „voldoende middelen van bestaan" hebben, van de gunstige bepaling gebruik kunnen maken, zoodat reeds terstond velen, die door openlijk of vermomd bedelen, door strooperijen, enz. in hun onderhoud trachten te voorzien en die een plaag van het platteland zijn, zullen afvallen ; dat voorts art. 35 aan den Commissaris der Koningin alleen de bevoegd• heid geeft om onder sommige omstandigheden nog vergunningen te verleenen bij wijze van overgangsmaatregel, en dat er voldoende grond bestaat om te vertrouwen, dat de Commissaris der Koningin gebruik zal maken van zijn bevoegdheid, om te weigeren de overgangsbepaling toe te passen tegenover personen, in het bezit wel is waar van voldoende middelen van bestaan, doch die kort vóór de afkondiging dezer wet onvoldoende en tot dusverre door

Sluiten