Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in verband met het tweede lid van art. 12, dat de verschijning van den directeur van het Bureau voor den industrieelen eigendom voor de rechtbank mogelijk maakt, is deze keuze gewenscht. (M. v. T.)

— Bij de beraadslaging in de 2e Kamer werd op de eerste alinea van dat artikel een amendement voorgesteld om het woord ,,hoofdzaak" te vervangen door: „een zijner onderdeelen" en op de tweede aliuea om in plaats van „de arrondissements-rechtbank te 's G-ravenhage" te lezen : „de arrondissements-rechtbank te zijner woonplaats, en woont hij niet binnen het Rijk in Europa tol die te 's Gravenhage".

Het eerstgenoemd amendement werd door" den voorsteller ingetrokken, terwijl het laatstbedoelde werd verworpen.

— De voorwaarden, onder welke het Bureau voor den Industrieelen Eigendom bevoegd is de inschrijving van een merk te weigeren, worden aangewezen in art. 9 en zijn voor geene uitbreiding vatbaar. Het Bureau, dat bemerkt, dat het de bevoegdheid tot weigeren toekwam, kan alleen in zijne cassatie slagen, als het aantoont dat het die bevoegdheid in strijd met art. 9 is ontzegd. (Beschikking van den Hoogen Raad van 17 Mei 1912, W. 9359, C. V.)

— De eerste alinea van dit artikel is aldus gewijzigd bij de wet van 30 December 1904, S. 284.

Art. 10. Indien het overeenkomstig art. 5 ingeschreven merk of het overeenkomstig art. 8 ingeschreven buitenlandsch merk geheel of in hoofdzaak overeenstemt met dat, waarop een ander voor dezelfde soort van waren recht heeft krachtens art. 3, of den naam of de firma bevat, waarop een ander recht heeft, kan hij, die beweert zoodanig recht te hebben, onverminderd andere hem ten dienste staande rechtsmiddelen zich, voor wat betreft een overeenkomstig art. 5 ingeschreven merk, binnen zes maanden na de bij art. 6 voorgeschreven openbaarmaking en voor wat

Sluiten