is toegevoegd aan uw favorieten.

Wet van den 30 September 1893, S. 146, zooals die wet is gewijzigd bij de wetten van 30 December 1904, S. 284, 10 Februari 1910, S. 56, 7 Januari 1911, S. 5 en 8 Februari 1912, S. 64 houdende bepalingen op de fabrieks- en handelsmerken (merkenwet)

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 21. Van het vervallen van de kracht der inschrijving, gelijk mede van liet verzoek om aanteekening van den overgang, van een internationaal Ingeschreven merk, dat overeenkomstig art. 7 aan het Bureau voor den industrieelen eigendom was ingezonden, geeft dit onverwijld kennis aan het Internationaal Bureau te Bern.

Geen aanteekening van den overgang van zoodanig merk heeft plaats indien die overgang geschiedde aan iemand, geen Nederlander zijnde, die niet woont in een der Staten, toegetreden tot de voormelde overeenkomst van Madrid, of niet aldaar heeft eene inrichting van nijverheid of handel, te goeder trouwe opgericht en werkelijk dienende tot het uitoefenen van nijverheid of handel.

De eerste alinea van dit artikel is aldus gewijzigd en de tweede alinea aan het artikel toegevoegd, een en ander bij de wet van 30 December 1904, 8. 284.

§ III. Overgangs- en slotbepalingen.

Art. 22. De merken, die op het tijdstip van het in werking treden dezer wet reeds overeenkomstig de voorschriften der wet van 25 Mei 1880 (Staatsblad n°. 85), zooals die gewijzigd is bij de wet van 22 Juli 1885 (Staatsblad n°. 140), zijn ingeschreven, genieten dezelfde bescherming als waren zij overeenkomstig deze wet ingeschreven. De twintig jaren, bedoeld in art. 18, 2°., beginnen voor die merken te loopen van den dag, waarop de inschrijving ingevolge eerstgenoemde wet geschiedde.

Voor de toepassing van art. 7 dezer