is toegevoegd aan uw favorieten.

Wet van den 30 September 1893, S. 146, zooals die wet is gewijzigd bij de wetten van 30 December 1904, S. 284, 10 Februari 1910, S. 56, 7 Januari 1911, S. 5 en 8 Februari 1912, S. 64 houdende bepalingen op de fabrieks- en handelsmerken (merkenwet)

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wet worden die merken geacht overeenkomstig art. 4 te zijn ingezonden.

Tusschen de eerste en tweede zinsnede an alinea 1 van dit artikel kwam oorspronkelijk voor de zinsnede : Alle handelingen op dat tijdstip overeenkomstig de eerstgenoemde wet verricht, blijven rechtsgeldig. Deze zinsnede is bij de nota van wijzigingen vervallen, terwijl de laatste alinea, sedert aldus gewijzigd bij de wet van 30 December 1904, S. 284, aan dit artikèl werd toegevoegd.

— Bij de beraadslaging in de 2e Kamer merkte men op dat het zeker de bedoeling van art. 22 zou zijn te zorgen dat zij, die recht verkregen hebben voor een fabrieksmerk door de wet van 1885, van geen minder conditie zullen wordsn door de aanneming van dit wetsontwerp. De inschrijving onder de wet van 1885 was echter definitief; krachtens die wet had men een verkregen recht, terwijl volgens het stelsel dezer wet eene inschrijving geen verkregen recht geeft, maar altijd kan worden teniet gedaan op grond dat een ander bewijst dat hij rechten had als vroeger gebruiker. Moet nu — zoo werd gevraagd — dit artikel zoo worden opgevat da* hij, die een recht verkregen heeft onder de wet van 1885, niet blootstaat aan eene vordering tot vernietiging zijner inschrijving, op grond dat een ander een recht op het merk zou hebben krachtens een vroeger gebruik. Men meende dat dit wel in de bedoeling zou liggen, doch de woorden van het artikel zouden het niet ontwijfelbaar aangeven.

De Minister van Justitie antwoordde hierop dat, zooals werd opgemerkt, omtrent de bedoeling van het artikel geen twijfel kan bestaan. De overgangsbepalingen hebben de strekking om de volgens de bestaande wet verkregen rechten te doen eerbiedigen, wat trouwens ook niet in strijd is met de woorden, 't geen duidelijk blijkt wanneer men het artikel verder leest, want in het vervolg van het artikel wordt het tijdstip bepaald van hetwelk de 20 jaren beginnen te loopen en in het tweede lid wordt gezegd dat voor de toepassing van art. 7 van deze wet die merken geacht worden overeenkomstig art. 4 te zijn inge-