Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gesteld in lig. 41. liet punt T is het middelpunt der cirkelbogen, die de parallellen voorstellen; C is het centrale punt; de meridiaan en de parallel door dat punt gaande zijn tevens aangegeven.

Bij de conforme kegelvormige projectie heeft de vergrooting langs eenzelfde parallel een constante waarde. Neemt men daarvoor voor de parallel van het centrale punt de eenheid, dan is bet bedrag langs de beide parallellen, die boven- en benedenrand vormen, op een afstand van 10' noordelijk en zuidelijk van het centrale punt, gelijk aan 1.000004; de afwijking der vergrooting van de eenheid is op de kaart dus volkomen onmerkbaar.

Wegens de groote lengte der stralen van de cirkelbogen, die boven- en benedenrand vormen, en de geringe breedte der graadafdeelingen, zijn de pijlen dier bogen zeer klein; voor de uiterste graadafdeelingen van Java, wier centrale punten zijn gelegen op 8°50' Z.B., bedraagt de pijl nog slechts 4,10 Meter bij een lengte van den rand van ruim 57000 Meter; op de schaal 1 : 25000 is de pijl dus slechts 0,16 millimeter. De cirkelbogen kunnen daarom bij de samenstelling der kaart worden vervangen door rechte lijnen, zoodat de graadafdeelingen den vorm verkrijgen van symelrische trapeziums, wier langste evenwijdige zijde naar den equator is toegekeerd. Het verschil in lengte van boven- en benedenrand bedraagt voor de uiterste graadafdeelingen 32,9 Meter, of op de schaal 1 : 25000, 1,3 millimeter.

Voor de uiterste graadafdeelingen van Sumatra's Westkust, wier centrale punten zijn gelegen op de breedte van 2°30', bedraagt de pijl slechts 1,18 Meter. Het verschil van boven- en benedenrand bedraagt voor die graadafdeelingen 8,64 Meter.

De y-as van het coördinatenstelsel eener graadafdeeling valt samen met den meridiaan van het centrale punt; de a;-as is de loodlijn daarop in het centrale punt opgericht; zij is dus rakend aan de parallel van dat punt, en valt practisch hiermede samen. De begrenzing der graadafdeeling wordt gemakkelijk in teekening gebracht, als men de coördinaten der hoekpunten kent. Om den vorm en de afmetingen van de verschillende bladen der kaart te berekenen, wordt als volgt te werk gegaan (zie voorbeeld I).

Gegeven: ?0 de geographische breedte van het centrale punt van het blad, zoowel noordelijk als zuidelijk positief genomen;

de halve afstand der meridianen en ƒ3, de halve afstand der parallellen, tusschen welke het deel van het aardoppervlak is besloten, dat op de kaart moet worden voorgesteld, beiden uitgedrukt in secunden.

Gevraagd: b' de halve lengte der kortste evenwijdige zijde;

b" de halve lengte der langste evenwijdige zijde;

h' de afstand van de kortste evenwijdige zijde tot aan het centrale punt;

h" de afstand van de langste evenwijdige zijde tot aan het centrale punt;

Sluiten