Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de boosdoener, de koning, het eerst twijfelt aan de opgegeven bron van Hanilet's waanzin, opgegeven door een ijdelen vader, en moeite doet achter die waarheid te komen.

Hij, Hamlet, moet dus den kóning aan 't spreken krijgen. Dat is de eenige die wéét. En daar raken wij aan de kern van het probleem:

Hamlet heeft niet den dooden, maar den levenden koning noodig; noodig als zich zelf.

Doodde hij den koning, dan smoorde hij de waarheid in haar wieg, en hij had geheel gehandeld tegen de geest van goddelijk Gericht die in dit drama heerscht. Hij, handelend, alleen naar persoonlijke drift, en niet in 't belang van het uit haar voegen gescheurde Denemarken, zou al die ongerechtigheden er slechts met een vermeerderd hebben. Niet uit persoonlijk wraakgevoel mag de ethische mensch handelen, hij mag alleen uit algemeene beginselen richten. De weerwraak is een begrip van lager orde uit duistere tijden, maar geen rechtspraak. Hier waakt ook een Cherub over Hamlet. Had Hamlet dus den koning gedood, dan had hij een zonde begaan tegen den heiligen geest van zijn taak, de Waarheid zelf om hals gebracht en de Gerechtigheid in haar loop gestoord. En zij die Hamlet van lafhartigheid beschuldigden, kunnen nu meteen begrijpen, dat Hamlet's leven der waarheid even dierbaar was. Ook de dood van Hamlet, bij het worstelen in Ophelia's graf met Laertes, zou die loop gestremd hebben. Wij weten trouwens uit welke edele motieven hij hier handelt. In Laertes' leed spiegelt zijn leed. Hij heeft een grimmigheid in zich, die van het leed van veertigduizend broeders spreekt. Later, voor het duel, erkent hij zijn ongelijk: niet Hamlet, Hamlet's waanzin, zegt hij, handelde. Hij schoot een pijl over het dak, die pyl trof den verkeerde, Laertes.

Hier belichten wij ook een kant van die beteekenisvolle woorden: to be or not to be. Het is het hoogtepunt van die schitterende reeks monologen. Zijn of niet zijn, bestaan of niet bestaan, dat is voor hem in dien zin ook de zaak. Het zijn en niet zijn, daar zijn in 't algemeen de diepste gedachten der menschen op gericht. Wie zal verhalen van het hier namaals, „waarvan geen reiziger ooit keert." Wie daarvan spreekt raakt den religieusen mensch het diepst in zijn gemoed.

Maar dat is juist het mooie bij Shakespeare, dat hij het algemeene ook verbizondert, als moment van de handeling geeft. Dat

Sluiten