Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Sprak niet Thorbecke in zijn hooghartig liberalisme, in Dec. 1851 het bekende woord: „Waart gij een stille partij, die enkel God op hare wijze zocht te dienen, men zou, al hield men uwe meening voor dwaling, u eerbiedigen. Maar gij wilt met uwe godsdienstige stellingen op het politiek gebied regeeren, en ziet daar waar het gebied van den strijd begint?"

Dat wilde zeggen, gelijk Van Koetsveld zoo juist in „Onze Politieke Partijen" opmerkt: „wij zullen u dulden, zoolang wij niet bemerken, dat gij er zijt; maar zoodra gij een levensteeken durft geven, nemen wij u dat hoogst kwalijk".

Precies zooals Thorbecke s volgelingen uit onzen tijd het ons nog op velerlei wijzen voorzingen.

En toch, de anti-revolutionaire partij heeft het durven bestaan, levensteekenen te geven op zeer duidelijke wijze; zij heeft er zich niet aan gestoord, of ook al de „vrijzinnigheid" haar dit kwalijk nam.

Zij heeft laten merken, dat zij er is en voor haar onbetwistbare rechten durft opkomen.

Zij wenscht geen „stille partij" te zijn, doch mee te spreken, waar het geldt, het behartigen van de zaken des lands.

Zij wil meespreken — omdat zij een heel ander begrip van het woord vrijheid heeft, dan Thorbecke en de zijnen in hun benepen liberalisme.

Volgens de laatste gaat het land te gronde, als niet alles is geknipt met hun schaartje, naar het model, dat zij goedvinden voor zich en het daarom ook aan anderen willen voorschrijven.

De anti-revolutionaire partij eischt volledige vrijheid op voor zich zelf — en durft ze aan anderen te laten.

Onze vijftigjarige schoolstrijd legt daarvan een onwedersprekelijk getuigenis af.

En dat zij in dien strijd niet is ondergegaan maar zelfs

Sluiten