Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beschouwd en waaruit onder andere ook zijn kleine per soonlijke ijdelheden spruiten.

Maar in ware, groote goedheid van het hart staan Kuyper en Van Houten weer gelijk. Voor hem van wien hij houdt, heeft hij wat over en dien helpt hij graag en gul, niet om een dankje of om wederdienst maar breed en grootweg, uit een zuiver welbehagen in zulk goed-doen. Er moge ook hier wellicht wat ijdelheid in steken, 't is toch zeker overgrootendeels goedhartigheid, van die breede mildheid des gemoeds die meer is dan slechts uiterlijke minzaamheid, meer dan affabilité, en die zich teekenen laat met het wijdomvattende Fransche woord bonté.

. . .Maar die begrensd wordt door: het doel.

Dit blijft in Dr. Kuyper albeheerschend: het streven naar zijn doel. Wat daarmee botst wordt weggeschouderd : waarheid, vriendschap, — alles.

En niet slechts wat, ook wie hem in den weg staat. Dat heeft de heer Lohman ondervonden.

Want voor dezen geestelijken krachtmensch is het al bijzakelijk en van min beduidenis wat niet dient tot zijn doel, het doel dat opdringt uit zijn overtuiging, zijn geloof

— en ook, voor 'n deel wel, uit zijn eerzucht.

Hoe vast en vurig Dr. Kuyper's christelijk geloof ook zij

— en zij die daaraan twijfelen, overzien weer het naïeve in dezen wonderlijken man, dat hem kan doen gelooven als een kind aan de oude Evangeliën — toch schijnt het, bij 't beschouwen van zijne figuur in haar geheel, schier iets bijzakelijks, iets toevalligs.

Want zóó domineert in deze figuur de krachttrek, dat men dezen indruk krijgt: Kuyper had even licht volgeling van Nietzsche kunnen worden als van Christus.

Het uiterlijk van dezen geest is zóó merkwaardig en zóó groot, dat de inhoud daarbij min belangrijk wordt. De denker zelf en hoe hij denkt, maakt wat hij denkt bijkomstig.

Sluiten