Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Was u 'n érge knapperd op het gym, professor?"

„Néé, hoor! erg gewoon. Ik leerde wél goed. Ik vocht gewoonlijk met Hein Kist, die nou in den Hoogen Raad zit, wie de eerste van de klas zou zijn. En toen werd ik student, en werd bekroond voor 'n antwoord op 'n prijsvraag van de Groningsche universiteit. Professor Thijs de Vries had me dat aangeraden, en in acht maanden heb ik dat ding toen geschreven. Maar toen was ik ook ziek van 't overwerken. En dat judiciunis van den Groningschen senaat, dat was zóó verschrikkelijk in de wolken, dat tóen, voor het éérst, de gedachte bij me opkwam: „Zou ik iets méér kunnen dan 'n ander?" Wacht, ik zal het boek eens halen, als ik het zoo gauw vinden kan . .

En weg was hij, en ik keek eens even rond. Langs den muur stonden de boeken, bij dichte rijen. En ook in het aangrenzende vertrek, waarvan de deur openstond, zag ik 'n armée van boeken. De kamer was eenvoudig, streng. Een sprekende Christuskop hing aan den wand, en vóór me, tegen de schrijftafel aan, stond 'n vierkante, rose-tintige pleister, met' in relief de buste van Schaepman: het groote denkershoofd met het kapje op, en de bril laag op den neus. Bij het raam een stemmig schilderij . . . Maar daar was m'n gastheer alweer; 'n dik boek in de hand:

„Daar héb ik het nou. Nu moet u eens kijken . . ."

Ik bekeek met ontzag het lijvige boekwerk van 'n ruimtwintigjarige, dat door 'n zorgzame hand keurig geschreven was. Het behandelt — de voorpagina vertelde het, natuurlijk in het onmisbare Latijn — het kerkelijk vraagstuk ten tijde van Calvijn en a Lasco.

„En toen ben ik gepromoveerd, en op zoek gegaan naar 'n pastorie. Maar er was in die dagen 'n overvloed van proponenten, en het duurde 'n jaar, voor ik 'n plaats had. De menschen vonden het blijkbaar niks mooi, als ik preekte. En ten slotte kwam ik in Beesd terecht. Daar heb ik m'n

Sluiten