Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

We kwamen op 'n zijweg. Ik vertelde, dat ik voor het éérst z'n kracht als Kamerlid ten volle gevoeld had, toen ik, als jongen van 't gymnasium, z'n rede las, waarin hij de regeering interpelleerde, omdat Transvaal en vooral Oranje-Vrijstaat niet uitgenoodigd waren, om aan de eerste Vredesconferentie deel te nemen. Dat deed hem even in gepeins raken.

„Ja, ik was toen pas in Amerika geweest. En daar was Chamberlain toen ook. En in die dagen ging er al 'n gerucht door de Amerikaansche pers, dat Engeland Transvaal zou aanpakken. Ik ben toen naar Mac Kinley gegaan, en heb hem nadrukkelijk gezegd: „Steun dat niet!" Maar het baatte niet. Ik ben toen óók nog in Londen geweest, bij Morley, en die antwoordde me, dat de Secretary, daar bedoelde hij Chamberlain mee, hem dienzelfden morgen gezegd had, dat van die Transvaalsche plannen geen woord waar was. Geen woord waar . .

En wéér verzonk hij in gepeins. Maar toen weer levendig: „Bij de voorbereiding van die Vredesconferentie heb ik nog de vreemde journalisten gerecipiëerd. Ik was toen aan het presidium van den „Kring". Later heb ik standjes gehad met Elout. Ik had ze beleedigd, zeiden ze. Toen heb ik mijn ambt neergelegd. Maar aan de journalistiek heb ik altijd genoeg gedaan. Zoo drie artikelen in de week is geen kleinigheid. Eén morgen vast voor De Standaard, en één voor De Heraut. Ja, als je zeven kinderen hebt, en allen dag met z'n dertienen aan tafel zit, dan komt er héél wat kijken . . ."

„Heeft u ook een dagboek gehouden in uw leven, professor?"

„Daar heb ik nooit tijd voor gehad. Als ik eens niets meer te doen heb".

„Och, weet je, ons land is zoo klein; ik werk zoo graag voor 'n gróóten kring. In Amerika daar heb ik m'n vaste

Sluiten