Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet overdreven waren, doch dat die pagars oorzaak waren, dat van de versterking zelf niet veel te zien was;

3e. dat zich op de Z.-face een toegang bevond;

4e. dat langs de Z. O.-helling een pad tegen den heuvelrug opliep, uitkomende nabij den Z. O.-saillant;

5e. dat dit pad zich op ±10 M. van den rand van den heuvelrug splitste in twee andere, waarvan het eene langs de Z.-face, het tweede naar en langs de O.-face voerde, en dat enkele Atjèhers zich vrij over deze paden bewogen, waaruit dus af te leiden was, dat die paden niet met randjoes beplant waren;

6e. dat het eerstbedoelde pad buiten het vuur en het gezicht van de versterking gelegen was;

terwijl eindelijk uit het feit, dat op dat oogenblik enkele lieden onder een afdak, op ±50 M. ten W. van de benteng gelegen, bezig waren een geit te slachten, mocht worden afgeleid, dat de colonne nog niet ontdekt was.

Tot controle der uit Y, verkregen gegevens en tot meerdere volledigheid der verkenning werd deze met de grootste behoedzaamheid uit het westelijk van R. gelegen hooge punt V, voortgezet. De eerst medegenomen dekking bleef inmiddels in V, achter om de versterking en het omliggende terrein te blijven waarnemen, terwijl voor de verkenning uit V, een andere brigade als dekking werd aangewezen.

Te 12.20 n.m. was de verkenning, die dus ongeveer een uur geduurd had, afgeloopen.

Voor de gegevens omtrent het omliggend terrein verkregen, wordt verwezen naar de schets.

Hoewel met het oog op de geduchte hindernissen, die de versterking

omgaven, de afwezigheid van berg-artillerie gevoeld werd, besloot de

colonne-commandant toch de benteng aan te vallen, aangezien het terrein een verrassend optreden zeer begunstigde.

Sluiten