Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De sectie marcheerde met éénen, daar in het zwaar begroeide heuvelterrein onmogelijk een meer gesloten marschvorm kon aangewend worden.

Een spits werd niet vooruit gezonden. Aan het hoofd marcheerden de 2 schranderste manschappen der voorste groep; daarop volgde de sectiecommandant met den sergeant.

Op den top gekomen, werd halt gehouden; ter beveiliging werden op ± 10 M. afstand een 3-tal posten uitgezet. Daar ten gevolge van de begroeiing geen uitzicht werd verkregen, klom de sectie-commandant in een boom en zag nu beneden zich eene kleine met laag gras begroeide vlakte, geheel door gebergte ingesloten. Yan den vijand of van iets, dat op zijne aanwezigheid zou kunnen duiden, als b.v. huizen of hutten, werd niets bespeurd. Daar de helling van den top naar de zijde van bedoelde vlakte te steil was om daar af te dalen, keerde de sectie langs den gevolgden weg terug. Aan den voet gekomen, werd verbinding verkregen met de rest der 1ste compagnie en meldde de luitenant aan zijn compagniescommandant, wat hij van het terrein had waargenomen.

Hij ontving nu den last door het dal der Kr. Béntaröë de verkenning over een paar honderd M. voort te zetten. Aanvankelijk werd nu een smal voetpad gevolgd. Toen dat evenwel bleek te loopen over de genoemde kleine vlakte, werd het verlaten en het bedekte terrein gevolgd.

Aan het eind van het bedekte terrein gekomen, zond de luitenant 6 man onder den sergeant ± 20 M. vooruit naar een hoog punt aan den oever der Kr. Béntaröë (zie oleaat JST0. 2, A). Dit geschiedde om de kans te verminderen plotseling met de geheele sectie van de overzijde der rivier beschoten te worden.

Nauwelijks was deze Spits op het aangewezen punt aangekomen of de sergeant gaf het teeken „de vijand wordt gezien". De luitenant begaf zich daarop naar de spits en vernam daar, dat eene bende van ±10 met geweren bewapenden was waargenomen ongeveer bij punt a. De vijand

Sluiten