Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I. R. 50. I. R. 51.

I. R. 52.

waarin de woonplaats van den Magistraat gelegen is, wordt hij, ter opzending aan den Magistraat, overgegeven aan het Hoofd van het naastbij gelegen district, en zoo vervolgens totdat hij de woonplaats van den Magistraat heeft bereikt.

Art. 240. Geen gevangene mag langer dan hoogst noodig en in geen geval langer dan driemaal vier en twintig uren door het Districtshoofd worden aangehouden alvorens te worden opgezonden, dan alleen in geval van ziekte of onmogelijkheid van vervoer.

Art. 241. De Districtshoofden moeten de personen, die als verdacht van eene politie-overtreding zijn aangehouden, onmiddellijk in vrijheid stellen, wanneer hun blijkt dat er geen gegronde vermoedens tegen den aangehoudene bestaan; van elke invrijheidstelling geven zij, onder opgave van redenen, dadelijk bericht aan den Magistraat. Overigens mogen zij nimmer op eigen gezag eenen gevangene ontslaan, maar moeten de redenen van ontslag, onder opzending van den gevangene, aan den Magistraat voordragen.

Art. 242. Zij zijn verplicht ééns m de maand op eenen daartoe gestelden dag voor den Magistraat, in het district Martapoera voor den Regent 1), te verschijnen, ten einde diens bevelen te ontvangen en aan hem verslag te doen van al het voorgevallene in de vier laatst verloopen weken.

Bij wettige verhindering doen zij zich vervangen door een ander bekwaam persoon.

Art. 243. De Districtshoofden trachten de geschillen, die ingevolge art. 219 tot hen zijn verwezen of door partijen onmiddellijk voor hen zijn gebracht, in der minne te beëindigen. Wanneer zij hierin niet kunnen slagen, of het feit met straf is bedreigd, verwijzen zij partijen naar den bevoegden rechter.

Zie hierbij Slb. 1898 n". 178, ten derde en Stb. 19-13 n°. 199.

Sluiten