Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op bloote vermoedens of onvolkomen bewijs mag niemand veroordeeld worden.

Art. 419. Als wettige bewijsmiddelen worden alleen erkend :

1e. getuigenissen;

2e. schriftelijke bescheiden;

3e. bekentenis, en 4e. aanwijzingen.

Art. 420. Deze bewijsmiddelen kunnen, zoowel op zich zelve afzonderlijk, als onderling vereenigd, tot daarstelling van rechterlijke overtuiging dienen, voorzoover zii met de hierna volgende voorschriften overeenkomen.

Art. 421. Alle soort van bewijsmiddelen kan door tegenbewijs worden ontzenuwd.

Art. 422. Geenerlei bewijsmiddel is ter veroordeeling van een beklaagde verplichtend, wanneer de rechter niet volkomen overtuigd is, dat deze de strafbare daad, hem ten laste gelegd, waarlijk heeft gepleegd, of daaraan medeplichtig is.

Art. 423. Tot het geven van getuigenis in strafzaken zijn allen bevoegd, die daarvan niet zijn uitgesloten bij de artt. 328 en 331.

Elke getuigenis moet met eede gesterkt en afgelegd zijn overeenkomstig de vormen, bij dit Reglement voorgeschreven.

In zaken van overtreding, welke behooren tot de kennisneming der Magistraten, worden met beëedigde getuigenissen gelijkgesteld de verklaringen, door dienaren der openbare macht mondeling afgelegd op hun ambtseed. (Stb. 1910. n°. 352 art. VIg. j<> n° 664).

Art. 424. De op zich zelve staande getuigenis van éénen enkelen getuige, door geene andere bewijsmiddelen bevestigd, kan niet als wettelijk bewijs gelden.

I. n. ^ÖO.

I. R. 286.

i. R. 287. I. R. 288.

I. R. 289. I. R. 290.

Sluiten