Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schillend zonden gedragen en zulk een scherpe grens zouden vertoonen, en ten tweede het feit, dat ook bij pathologische woekering der vlokbekleeding (mola hydatidosa) het verschil tusscben de beide celsoorten zoo constant blijft. Zekerheid bestaat echter hieromtrent nog niet.

Aan het chorion laeve verdwijnt de syncytiale bekleeding geheel, terwijl daarentegen aan de blijvende chorionvlokken de cellaag van Langhans grootendeels verdwijnt.

De placenta uterina ontwikkelt zich uit het als decidua serotina betitelde deel van het uterusslijmvlies. Bij de baring scheidt zij zich langs de op de plaat aangegeven lijn van den baarmoederwand af, waarbij de dunne septa der onder haar liggende spongieuse laag verscheurd worden, /ij vormt dan een dunne membraan van 0,5 tot 1 mM. dikte, de z.g. basaalplaat, die de vlokken der placenta foetalis geheel bedekt.

De basaalplaat vertoont aan de uterine zijde verschillende diepe groeven, en overeenkomstig met deze groeven gaan van de andere zijde sterkere en zwakkere bindweefselwanden, de septa placentae, uit, die indringen tusschen de chorionvlokken (fig. 13 2), waarvan zij een klein aantal tot een cotyledo vereenigen. Denkt men zich de cotyledonen weg, dan blijft er aan de placenta uterina een aantal hokjes, met dat der cotyledonen overeenkomend, over. Door fijnere, van de basaalplaat en van de septa uitgaande bindweefselwoekeringen worden deze nog in kleinere, minder diepe afdeelingen verdeeld.

In het midden der placenta reiken de septa niet tot aan den oorsprong der chorionvlokken. Dit doen zij echter wel in een smal peripheer gedeelte, waar zij onmiddellijk tot aan de membrana chorii (plaat, m) woekeren en zich verbinden tot een dunnere, door het begin der vlokken doorboorde membraan, de z.g. sluitplaat (SP) of subchoriale sluitring.

Het bindweefselskelet der placenta uterina vertoont in het algemeen de eigenschappen van de compacte celrijke laag der decidua, doch verschilt daarvan door het optreden van z.g. reuzencellen. Dit zijn groote, grauwgele protoplasma-klompen met 10 tot 40 kernen, die zich in de vijfde maand beginnen

Sluiten