Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Terwijl de vorm der niet zwangere baarmoeder vergeleken wordt met dien eener platgedrukte peer, wordt door de in den beginne vrij gelijkmatige hypertrophie van den wand het orgaan tot een min of meer bolvormig lichaam, waaraan de minder vergroote cervix zich als een klein aanhangsel bevindt. Daar het gewicht van het baarmoederlichaam aanzienlijk vermeerdert, zakt dit steeds meer en meer naar voren, terwijl de meerdere weekheid der verbinding tusschen corpus en cervix, het gevolg der sereuse infiltratie van het weefsel, maakt, dat het scheedegedeelte die beweging zoo goed als niet volgt. De hoek, dien de baarmoederholte met de cervikaalholte maakt, wordt hierdoor kleiner. Zoodra de baarmoederholte door het groeiende ei gerekt wordt, gaat de uitzetting in de lengte-afmeting overwegen. Hierdoor verkrijgt de baarmoeder den eivorm, die van de 6e maand af meer en meer voorden dag komt, en in verreweg de meeste gevallen aan den uterus op het einde der zwangerschap duidelijk is waar te nemen. De vorm der zwangere baarmoeder vertoont intusschen talrijke afwijkingen van den eivorm, die, afgezien van degene, welke van ontwikkelingsstoornissen afhankelijk zijn, veroorzaakt worden door de plaatsing en de ontwikkeling der vrucht, de plaats van aanhechting der placenta, enz.

De zwangere baarmoeder, die in de eerste twee a drie maanden nog plaats vindt in het kleine bekken, stijgt in den loop der 3e of 4e maaand met den fundus in het groote bekken. Gestadig hooger wordt de stand van den baarmoederbodem; en onder normale verhoudingen (d.i. normaal bekken, normaal groot hoofd, lengteligging, enkelvoudige zwangerschap, niet te groote hoeveelheid vruchtwater, geen belangrijke verslapping van buik- en baarmoederwand) is die toeneming van den hoogtestand van den baarmoederbodem zoo constant en eigenaardig, dat daarin een betrouwbaar middel bestaat voor het bepalen van het tijdstip, waartoe de zwangerschap gevorderd is. (zie Hoofdstuk V, Diagnostiek der zwangerschap.)

Door de in omvang toenemende baarmoeder worden de darmen naar boven en terzijde gedrongen, en slechts hoogst zelden bevindt zich een darmlis tusschen baarmoeder en voor-

Sluiten