Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

distantia sacrocotyloidea wat korter dan de linker, en de linker schuine afmeting wat korter dan de rechter.

De fransche verloskundigen gebruiken rechts en links voor de schuine afmetingen juist andersom. Het zou aanbeveling verdienen die benamingen te laten varen en te vervangen door andere, die geen verwarring toelaten. A u v a r d heeft voorgeslagen de schuine afmetingen te benoemen naar het darmstuk, waarheen ongeveer hun achterste eindpunten gericht zijn. Onze rechter, de fransche linker schuine afmeting zou dan de coecale, de andere de rectale schuine afmeting heeten.

Uit fig. 58 ziet men, dat de vergelijking, door Roederer gemaakt, van den bekkeningang met een ellips uiterst weinig nauwkeurig is. Gewoonlijk vergelijkt men tegenwoordig den bekkeningang met de hartenfiguur uit het kaartspel, waarvan de punt stomp gemaakt is. Men dient daarbij echter wel te bedenken, dat van een vlak van den bekkeningang in den juisten zin van het woord geen sprake is. Immers de linea innominata gaat, aan het sacrum gekomen, naar boven, om het promontorium te bereiken. Het achterste gedeelte van den bekkeningang en vooral het promontorium ligt dus boven het vlak der lineae innominatae der heupbeenderen.

Aan den bekkenuitgang meet men de rechte afmeting, van den onderrand der symphysis tot de punt van het sacrum ), en de dwarse, tusschen de beide tubera ischii. Aan het geskeletteerde bekken neemt men als maatpunt voor de laatste afmeting de voorgrens der insertie van het ligamentum tuberososacrum.

De maten van den bekkenuitgang bedragen:

Diameter rectus 11,5 cM.

Diameter transversus.. 11 „

i) Men meet ook wel den afstand tusschen den onderrand der symphysis en de punt van het staartbeen die 9 cM. bedraagt en door het achteruitwijken van het staartbeen tot 11 cM. (en meer) verlengd wordt (zie fig 68). Het verdient m.i. meer aanbeveling den boven aangegeven afstand als maat te nemen.

Sluiten