Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

urine voorkomt, gedurende een lange reeks van jaren in ongestoorde gezondheid leven. Slechts bij uitzondering heb ik bij hen later de teekenen van schrompelnieren gevonden. Daarom lette men nauwkeurig op het circulatie-apparaat, op de hoeveelheid, de kleur en het soortelijk gewicht, op het eiwitgehalte en de vormelementen der urine, op het intermitteerend of constant voorkomen van eiwit en vooral op het al of niet voorhanden zijn van een aetiologisch moment voor albuminurie en op den „habitus externus". Niet zelden geeft de anamnese gewichtige aanwijzingen. In vele gevallen blijft aanvankelijk twijfel bestaan. Want ik ken gevallen, die ondanks een twaalfjarige constante albuminurie nog geen aanduiding van verhoogde vaatspanning, of in het algemeen van nierschrompeling, vertoonen. Of er hier misschien niet van zeer circumscripte veranderingen van het, nierweefsel sprake kan zijn. Het zijn juist deze gevallen, die zoo moeilijk van de zg. functioneele albuminurie te onderkennen zijn. Er kan niet genoeg op gewezen worden, dat een tijdelijk ontbreken van de albuminurie, voornamelijk in de nachturine, bij de volledig ontwikkelde schrompelnier volstrekt geen zeldzaamheid is. Dit hoogst belangrijke ervaringsfeit wordt in de geneeskundige praktijk te weinig gewaardeerd. Dieulafoy noemt de albuminurie dan ook niet ten onrechte een „symptome infidèle et inconstant." Klinisch zou men bijna twee soorten van schrompelnieren kunnen onderscheiden, een met en een zonder eiwit in de urme. Het wil mij voorkomen, dat de door eenige Fransche en Italiaansche onderzoekers (Huchard) op den voorgrond gestelde „hypertension artérielle" tengevolge van arterieele vaatvernauwing meestal op den bodem der nierschrompeling staat. De verklaring van de zonder albuminurie verloopende schrompelnier berokkent groote moeilijkheden; men moet wel een intact zijn der glomeruli postuleeren. Ook zullen de fluctuaties in de intensiteit der hartactie invloed kunnen hebben op de eiwituitscheiding. Ten slotte zou ik nog willen opmerken, dat er meestal slechts van een tijdelijk ontbreken der albuminurie sprake is. Het is ook mogelijk, dat het om zulke kleine hoe-

Sluiten