Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voortdurend meer naderen. „Geloof mij," zeide hij aan zijn medepastoor Nicolaas Janssen, ,,de tijd is niet verre meer, waarop de menschen zullen gezift worden gelijk de tarwe." Ook op den kansel sprak hij zich duidelijk daarover uit. Zoo getuigde in 1628 de 73jarige Wessel Brienen, uit Gorcum geboortig : „Ik heb den heer pastoor (Leonardus) hooren preeken op Palmzondag, en deze of dergelijke woorden uit zijnen mond vernomen : ,,„0 burgers „van Gorcum, de ketters hebben nu Den Briel in, het „is zeer te vreezen, dat ze al spoedig hier zullen komen ; „onder dezen preekstoel zitten zij, die ons verkocht „hebben, daar blijft nog maar over, dat wij door hen „aan onze vijanden overgeleverd worden. Ik voorzie, dat „deze troebelen martelaars zullen voortbrengen, maar „ik vrees, dat ik zoo groote glorie onwaardig ben, want „daar wordt niemand martelaar, tenzij hij zulks tevoren „door een goed en zalig leven verdiend heeft."" *) Maar hoe hij ook in diepe nederigheid zich de martelkroon onwaardig oordeelde, toch kon hij uit al de moorden op priesters en getrouwe Katholieken, waardoor de Geuzen in andere plaatsen de straten van bloed deden druipen, opmaken, wat lot ook hem wachtte, wanneer zij Gorcum zouden overmeesteren. Onbevreesd echter bleef hij op zijn post en wist van geen vluchten. Daar komt op zekeren dag zijne zuster, die met zijne oude moeder te 's Hertogenbosch woonde, en smeekt hem met tranen zich toch niet langer aan het dreigend gevaar bloot te stellen. „Nog pas heb ik gehoord," zeide zij, „hoe de Geuzen een religieus van Berne, die pastoor was van een dorp bij 's Hertogenbosch, hebben mishandeld, hem eerst handen en voeten en vervolgens ook het hoofd op een blok hebben afgehouwen." 3)

') Smit. Codex B. p. 19.

') Leonardus' zuster heeft zich hier met de opgave van den persoon

Sluiten